Nepnieuws? Boeiuh! Het raakt scholieren niet

Dossier nepnieuws: zich wapenen Jongeren hebben moeite met het herkennen van nepnieuws. Het raakt ze niet. Maar moet de school hen dat dan bijbrengen? „Ik wil ze leren twijfelen.”

Illustratie: Lynne Brouwer

„Dat stuk heeft 46 alinea’s. Wie schrijft er nou zomaar 46 alinea’s? Dat verzin je toch niet?”

Miriam Piters citeert een van haar leerlingen. De docent Nederlands aan het Montessori Lyceum Rotterdam merkt dagelijks dat jongeren moeite hebben met het beoordelen van de betrouwbaarheid van een artikel of nieuwsbericht. Ze weten lang niet altijd waarop ze moeten letten. Haar leerlingen denken al gauw: het staat toch ook op andere websites? Of ze redeneren: het ziet eruit als een nieuwsbericht, dan ís het een nieuwsbericht. Piters: „Mijn leerlingen zijn helaas al zo gewend dat in praatprogramma’s steeds dezelfde mensen aanschuiven die overal over mee blaaskaken. Ik wil ze leren kritisch met bronnen om te gaan, dat ze niet zomaar alles voor waar aannemen.”

Jaloe de Vries, docent Engels op het Clusius College Hoorn, vertelt een zelfde verhaal. „Leerlingen zijn gewend dat wat volwassenen zeggen waar is. Zo is het Nederlandse schoolsysteem nu eenmaal ingericht. Ik wil ze leren twijfelen. Klopt het wel wat je leest?”

Animo voor gastles

Toen NRC dit voorjaar in navolging van de Britse omroep BBC een oproep deed aan scholen om zich in te schrijven voor een gastles over nepnieuws, meldden zich in twee dagen tijd ruim honderdvijftig docenten. Zij zien een probleem, zo blijkt, of vinden het onderwerp zo relevant dat ze er graag twee lesuren voor inruimen.

Suzanne Dings, afgelopen jaar werkzaam als docent Nederlands op de Berger Scholengemeenschap, vertelt dat binnen het curriculum wel aandacht is voor mediawijsheid en nepnieuws. Bij leesvaardigheid krijgen leerlingen verschillende artikelen over hetzelfde onderwerp, zodat ze inzien dat je een tekst op verschillende manieren kunt framen.

Het vervelende is, zegt Dings, dat jongeren vaak wel weten dát nepnieuws bestaat, maar het raakt ze niet. „Ze zien de gevaren niet. ‘Boeiuh’.” Toen haar leerlingen de opdracht kregen voorbeelden van nepnieuws te zoeken, kwamen ze bijna allemaal aan met roddelbladen. „Bij roddels zien ze wel dat een bericht overtrokken of ongeloofwaardig kan zijn, bij politiek nieuws hebben ze die antenne niet.”

Dings gaf les in Bergen (Noord-Holland), „een lief dorp”. „Ze hebben het hier allemaal goed. Soms denk ik: om nieuws op waarde te kunnen schatten moet je dan niet wat meer in de wereld staan?”

Daar komt bij, zeggen verschillende docenten, dat leerlingen niet alleen vrij gemakkelijk onbetrouwbare berichtgeving voor waar aannemen, ze dragen ook bij aan de verspreiding ervan. Docent Jaloe de Vries: „Ze lezen iets half, en delen het daarna meteen.”

Bekijk ook onze video over deepfakes:

Nieuws van sociale media

Tel daarbij op dat vrijwel alle scholieren dagelijks veel tijd doorbengen op sociale media – een meerderheid één tot drie uur per dag aldus het CBS – waar veel nieuwsberichten gedeeld worden, en je ziet een groeiend probleem.

Natuurlijk hoeven de berichten op sociale media niet per definitie onbetrouwbaar te zijn – het probleem is veel eerder dat daar andere wetten gelden. Docenten krijgen de indruk dat een bericht dat veel is gedeeld of geliked, wint aan geloofwaardigheid. Hetzelfde geldt voor online videobeelden. Dings: „Ze twijfelen niet. Je ziet het toch?”

De Monitor Jeugd en Media uit 2017 ondersteunt de conclusie van de betrokken scholen. In het tweejaarlijkse rapport van stichting Kennisnet (de publieke ict-organisatie voor het onderwijs) over mediagebruik van scholieren (10-18 jaar), is niet specifiek bekeken hoe jongeren met nepnieuws omgaan. Er is ruimer getoetst: hoe gaan jongeren online om met informatiemateriaal?

Enkele conclusies: ruim een kwart van de jongeren geeft aan dat ze niet weten waarop ze moeten letten bij het beoordelen van informatiebronnen. Ook letten ze meer op de relevantie van het onderwerp dan op de betrouwbaarheid ervan. Remco Pijpers, verantwoordelijk voor de Monitor Jeugd en Media: „Het ligt voor de hand dat dat ook geldt voor nieuwsberichten.”

De vervolgvraag is of school de plek is waar je jongeren moet leren omgaan met nieuws en nepnieuws.

Rol van de school

Scholen spelen volgens de Monitor Jeugd en Media op dit moment nauwelijks een rol in het bijbrengen van digitale kennis en vaardigheden. Pijpers wijt dat aan het feit dat de afgelopen tien jaar „vrij ad hoc” is lesgegeven in digitale vaardigheden. Bijvoorbeeld alléén gedurende de Week van de Mediawijsheid.

Vanaf 2021 wordt digitale geletterdheid vast onderdeel van het curriculum. Kennisnet denkt mee over hoe dat in praktijk kan worden gebracht.

Mariska Kleemans, onderzoeker van de Radboud Universiteit Nijmegen, concludeerde hetzelfde in 2016. Ze vergeleek leerlingen (11-16 jaar) van scholen mét mediawijsheid in het curriculum en zonder. Maar zag „nauwelijks verschil”.

Uit een serie gesprekssessies op middelbare scholen, die dit jaar zijn uitgevoerd, bleek dat docenten huivering voelen voor het onderwerp. Kleemans: „Zij zeggen: wij krijgen alles al op ons bord. We moeten ze gezond leren eten, bewegen.” En de vraag is waar je zulke vaardigheden moet onderbrengen. Kleemans: „De docent Nederlands wijst naar de docent maatschappijleer, en andersom.”

Toch ziet ook Kleemans de school als een geschikte plek, vanwege het bereik: je treft er alle lagen, alle achtergronden. Ze pleit ervoor vaardigheden te integreren in bestaande lessen. Remco Pijpers vindt dat ook: „Als je het bij geschiedenis hebt over de propagandapraktijken in de jaren dertig, kun je het ook best hebben over het trollen-leger van Poetin.”

Kleemans denkt dat media zelf ook een rol kunnen spelen. Een voorbeeld: uit haar onderzoek blijkt dat ruim de helft van de jongeren denkt dat het journaal een volledige weergave is van al het nieuws. Slechts 41 procent wist dat het om een selectie gaat. „Wellicht helpt het als media explicieter zijn over de totstandkoming van het nieuws.”

    • Lineke Nieber