Meer woorden dan daden over nepnieuws in Den Haag

Dossier nepnieuws: Haagse maatregelen Anders dan elders is het debat over desinformatie in Den Haag „blijven hangen in een welles-nietes-spel”. „Als de overheid gaat bepalen welk medium wel en niet deugt, zijn we uitgepraat.”

Illustratie Lynne Brouwer

Aan het Binnenhof wordt al bijna een jaar op hoge toon gedebatteerd over de aanpak van desinformatie, maar harde actie blijft uit. Duitsland heeft al een strenge internetwet, Frankrijk bespreekt wettelijke maatregelen en de Europese Commissie wil een gedragscode voor digitale platforms als Facebook en Twitter. Maar in Nederland is het, onder druk van een kritische Tweede Kamer, vooral gebleven bij een discussie over hoe groot het probleem is en of er wel een rol voor de overheid is.

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66) agendeerde het gevaar van desinformatie vlak na haar aantreden eind vorig jaar op grootse wijze. Ze waarschuwde voor „volstrekt onwenselijke” Russische manipulatie van het Nederlandse publieke debat. Ze zei dat maatregelen nodig waren, maar kreeg kritiek toen ze amper voorbeelden van Russische beïnvloeding kon geven. Ollongren zei dat ze vooral het debat wilde aanwakkeren en dat we in Nederland niet „naïef” moeten zijn.

Brussel veroorzaakte problemen

Ollongren wilde ook inzetten op een Europese aanpak, omdat desinformatie zich vooral online verspreidt via internationale platforms. Maar juist door Brussel kwam ze in de problemen. De factchecksite EU vs Disinfo, een EU-project dat Russische desinformatie moet identificeren, merkte onterecht vier Nederlandse publicaties als nepnieuws aan. Een woedende Tweede Kamer gaf Ollongren vervolgens per motie de opdracht in Brussel te gaan pleiten voor opheffing van de site. Nogal ongemakkelijk voor een minister die van de aanpak van nepnieuws één van haar prioriteiten had gemaakt.

Bekijk ook onze video over deepfakes:

Het gedoe rond EU vs Disinfo is een welkom geschenk voor critici van een al te gretige aanpak van nepnieuws. Het debat raakte al snel gepolariseerd. Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet noemde de EU voor de zomer in het laatste Kamerdebat over desinformatie een instituut dat „het debat wil smoren”. „Als de overheid gaat zeggen wat waar is en wat nepfeiten zijn, gaat dat in tegen alle beginselen van een vrije samenleving”. Baudet stelde eerder 75 Kamervragen over EU vs Disinfo en gaf Ollongren de bijnaam „Orwellongren”.

Volgens Kamerlid Harry van der Molen (CDA) is het Haagse debat „blijven hangen in een welles-nietes-spel” over of er in Nederland een probleem met desinformatie is. Kamerlid Kees Verhoeven (D66) vindt dat „we inmiddels door publicaties over Russische trollenlegers weten dat hier ook wat aan de hand is”. Hij doelt op onthullingen van NRC en De Groene Amsterdammer deze zomer dat duizenden Russische nep-Twitteraccounts berichten in het Nederlands verstuurden over onder meer de MH17-ramp en PVV-leider Geert Wilders.

Europese gedragscode

CDA en D66 stelden eerder voor platforms als Facebook en Twitter te vragen openheid te geven over de werking van algoritmen, die bepalen welke berichten gebruikers op hun tijdlijn te zien krijgen. Ze pleitten ook voor transparantie over wie de geldschieters zijn achter politieke advertenties.

Het zijn twee voorbeelden van maatregelen die zijn opgenomen in de gedragscode voor digitale platforms die de Europese Commissie dit voorjaar presenteerde. De code is in samenspraak met de techbedrijven opgesteld en wordt naar verwachting eind deze maand definitief vastgesteld.

Kees Verhoeven (D66) vindt deze gedragscode „absoluut goed”. Hij vindt dat het in het nepnieuwsdebat „zoeken is naar een balans” tussen zelfregulering en overheidsmaatregelen. „Platforms moeten nu eerst de kans krijgen om aan de normen te voldoen. Als dat niet werkt, kun je verder kijken.” Dat vindt ook de Europese Commissie, die met bindende wetgeving dreigt als de platforms hun beloften niet nakomen.

Andere partijen vrezen voor een te grote rol van de EU bij de aanpak van desinformatie. Kamerlid Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) vindt dat staten als Rusland moeten worden aangepakt als zij proberen het debat te manipuleren. Ze ziet daarbij een rol voor de inlichtingendiensten en vindt dat burgers weerbaar gemaakt moeten met lessen mediawijsheid. Het kabinet investeert hier al in. Maar overheidsbemoeienis met journalistiek kan echt niet, zegt Yeşilgöz-Zegerius. „Als de overheid gaat bepalen welk medium wel en niet deugt zijn we uitgepraat.”

Ollongren is nu voorzichtiger

Uit de omgeving van minister Ollongren is te horen dat ze geschrokken is dat het agenderen van nepnieuws zoveel weerstand heeft opgeroepen. De minister is duidelijk voorzichtiger geworden. In de Kamer zei Ollongren voor de zomer over het Europese dreigement voor bindende wetgeving: „Dat wil Nederland dus niet”. Ollongren vindt nu „dat er geen overheidsrol moet zijn bij het monitoren en verifiëren van desinformatie”.

Ollongren blijft in gesprek met bedrijven als Facebook en Twitter, maar is voorlopig niet van plan om meer te doen. De berichten over activiteiten van Russische trollen in Nederland laten volgens de minister zien „dat vrije en onafhankelijke media onmisbaar zijn voor een democratische samenleving”.

In het najaar stuurt ze de Tweede Kamer een evaluatie van de Nederlandse aanpak van desinformatie. Over een campagne om het publiek te waarschuwen voor de gevaren van desinformatie, ook door CDA en D66 geopperd, twijfelt ze nog. Ollongren bekijkt momenteel „de mogelijkheden en voordelen” van zo’n campagne.

Correctie (17 september 2018): In een eerdere versie van dit artikel stond dat drie Nederlandse krantenartikelen door EU vs Disinfo als nepnieuws werden aangemerkt. Dit klopt niet, want het ging om vier publicaties, en niet alleen krantenartikelen. Dit is hierboven aangepast.

    • Pim van den Dool