‘Ik hoop je steeds weer een micrometer verder mee te lokken’

Jaap Robben Zijn debuutroman Birk werd sluipenderwijs een succes. Deze maand verscheen Zomervacht – ook weer een boek waarin hij probeert de lezer over morele grenzen heen te trekken. ‘Daar waar het onprettig wordt, daar is het interessant.’

Jaap Robben staat op om een wesp door het woonkamerraam naar buiten te wapperen. We hadden het net over macht, misschien wel het belangrijkste onderwerp van zijn nieuwe, tweede roman Zomervacht. „Macht, ja”, zegt hij, alsof hij luistert hoe dat woord klinkt. „Je kunt ook zeggen dat het over liefde gaat. En dat macht het bijproduct van liefde is, van ouderschap. Misschien zie ik dat zo omdat ik zelf net vader ben, maar het is volgens mij ook een boek dáárover.”

De wesp cirkelt door de kamer, Robben staat stil en wacht af. „Ik ben nog een beetje zoekende, ik heb mijn verhaal over wat dit boek is nog niet helemaal gevormd. Dat komt gaandeweg, door erover te praten. Een boek wordt toch echt voor de helft door de lezer gemaakt.”

De wesp vliegt het raam uit.

Zomervacht gaat, zou je kunnen zeggen, over de gevaarlijke kanten van macht en beïnvloeding, en dan op een intiem, persoonlijk niveau. Het toont hoe een dertienjarige jongen onbewust grote invloed uitoefent op het leven van zijn lichamelijk en verstandelijk gehandicapte broer en op dat van een zwakbegaafd meisje. Zelf wordt Brian ook weer beïnvloed, door zijn vader, omdat die een opportunistische scharrelaar is – en nou eenmaal zijn vader. Ze wonen met z’n tweeën op een Frans landje, in een afgelegen en verscholen stacaravan.

Jaap Robben (1984) schreef eerder de roman Birk (2014), een van de succesvolste literaire debuten van de afgelopen jaren. Daarvoor publiceerde hij al kinderboeken en poëzie en schreef hij voor theater. Het succes van Birk had „een deinend verloop”, zegt Robben: het begon met lovende recensies, toen gebeurde er een tijdje niets, en toen kreeg het drie verschillende literaire prijzen – van boekhandelaren, van jongeren, van een jury voor de beste debuutroman. En drie jaar na verschijning mocht hij erover komen praten in het DWDD-boekenprogramma van Adriaan van Dis. Intussen zijn er meer dan 50.000 exemplaren van Birk verkocht. Deze week verschijnt de vertaling in de Verenigde Staten, komende maand gaat Robben daar op tournee.

Lees ook de recensie van Birk in NRC: Vader hangt als spook boven het leven en het boek

Birk ging ook al over macht. Een jongen woont met zijn ouders op een vrijwel leeg eiland, vader verdrinkt en moeder en zoon raken steeds meer op elkaar aangewezen – en in elkaars ban. De verhouding ontwikkelt zich zo dat je er als lezer een ongemakkelijk gevoel van krijgt, het gevoel dat het fout gaat, dat er morele grenzen in zicht komen.

Datzelfde gebeurt bij het lezen van Zomervacht. Omdat de instelling van gehandicapte broer Lucien gaat verbouwen, komt hij in de zomer een paar weken logeren bij zijn vader en broer.

De kiem voor Birk was gelegd door een documentaire over een moederaap die in het nauw gedreven werd en haar jong beschermt – tot het écht niet meer gaat en ze het jong verplettert.

Voor Zomervacht was er weer zoiets. „Ja, iets wat me maar bleef bezighouden. Ik had een documentaire gezien over twee broertjes, een tweeling, van wie de een gehandicapt was en de ander niet. Die tweede vertelde dat hij bang was dat hij in de buik iets had gedaan waardoor de ander gehandicapt was geworden. Hij kon het niet bewijzen en niet weerleggen. Hij was zich altijd verantwoordelijk blijven voelen, zorgde voor zijn broer, zei dat ze later samen in één huis zouden wonen. Maar je zag ook hoe hij op de middelbare school afstand ging nemen, dat hij niet alleen maar bij zijn broer wilde blijven.”

En Robben had al „een soort fascinatie” voor mensen die vanwege allerlei soorten handicaps in instellingen wonen. „Mijn ouders hebben met gehandicapten gewerkt en als kind ben ik een paar keer meegegaan. Dat maakte enorme indruk: de verwarring dat dit volwassenen waren, beren van kerels soms, maar dat ik makkelijker de videorecorder kon aanzetten en sneller krulspelden in doosjes kon doen dan zij.”

Was die macht ongemakkelijk?

„Nee, ik was een kind. Ik voelde me eerder verbonden. Mijn vader was activiteitenbegeleider daar en ik kon een beetje helpen. Ik kon voor die mensen de band in de videorecorder doen.”

Maar je fascinatie ging toch zeker deels over die macht?

„Eh, dat zou je hieruit kunnen opmaken. Maar dat weet ik niet, dat is amateurpsychologie. Het kernidee van dit boek hangt samen met onstrafbaarheid. Iemand met zo’n laag bewustzijn als Lucien is in feite onstrafbaar, hem kún je nauwelijks straffen. Dat zit ook in het boek: als ze in de supermarkt zijn en ze iets in Luciens jaszak stoppen. Winkelmedewerkers zullen hem niet verdenken. Als ze het al opmerken. En wat doen ze dan? Je kunt de schuld op hem afschuiven. Lucien merkt er niets van. Hij is de verdwijnput van schuld.”

Terwijl we praten haalt Robbens vriendin hun zoon uit bed na zijn middagslaapje. Hij zegt: „Die gedachte bleef oppoppen, ook omdat we nu Midas hebben. Stel dat ik een vaas omgooi die Suus dierbaar is – ze klaagt altijd al over mijn lompheid – dan kan ik zeggen dat Midas het heeft gedaan. Dan zal ze verdrietig zijn, jammer. Maar het is hem niet aan te rekenen, want hij is een peuter. Daar kun je misbruik van maken. Dat is een gevaarlijke gedachte, toch? Je kunt er allerlei grenzen mee overgaan.”

Jaap Robben vertelt in anekdotes, die vaak meer duidelijk maken dan de algemeenheden die je eruit zou kunnen afleiden. Dat is ook te lezen in Zomervacht: dat boek voelt niet als een roman die over ‘iets’ gaat, een onderwerp behandelt. Het is een verhaal, over personages die als mensen gaan voelen. Zo groeide het ook. „Het begon met die gedachten, over twee broers, over onstrafbaarheid, en dan spoelt er van alles aan. De vader en zoon, de broer, waar ze wonen, waar de moeder dan is en wat dat betekent, dat terreintje met caravans en loodsen.”

En dan maar rommelen, in zijn kantoortje in Nijmegen, of thuis, waar we nu zitten, in een verbouwde boerderij in een gehucht net aan de Duitse kant van de grens. „Het begin is het moeilijkst. Dan kijk je naar een wit vel papier waarop alles wat je schrijft nog ononderbouwd en lukraak klinkt. Toen gaf ik mezelf de opdracht om maar gewoon veel scènes te maken, zonder al te streng te zijn. Dan blijven de dingen die kloppen wel staan en de rest verdwijnt weer.”

Ging dat hetzelfde als bij Birk?

„Nee, totaal niet. Birk zat ik op microniveau uit te vouwen, van een paar woordjes naar een zinnetje. Ik had daarvoor poëzie geschreven en begon ook proza te schrijven als een dichter, waardoor ik na een maand maar twee bladzijden had. Bouillon van taal, superzwaar van betekenis, volgepropt. En dat wilde ik nou juist niet, ik wil dat er alleen maar staat wat nodig is en dat het helder is.”

Dus nu was er geen zinnetje waaruit alles zich ontvouwde?

„Er waren wel zinnetjes die belangrijk waren, die richting gaven. Bijvoorbeeld dat ze in de auto zitten, de vader boos wordt en hij Brian een klap tegen zijn hoofd geeft – die scène eindigt met de zin: ‘Het paarse hondje met zijn losse wiebelkop op het dashboard beaamt alles wat hij uitkraamt.’ Voor mij zegt dat: Brian trekt zich terug, hij bekijkt zichzelf van een afstandje, ziet dat hondje. Dat zinnetje is vaak heen en weer verhuisd door het boek. Het was het punt waarop ik voor het eerst echt afstand voelde tussen hen, waarop ze contact verliezen. Dus het moest op precies de goede plek komen.”

Helemaal geen opvallende zin eigenlijk. Je leest er zo overheen.

„Je mág er ook gewoon overheen lezen, het is jouw boek. Maar ik geloofde bij dit zinnetje dat het gevoel erin zat. Je zoekt als je schrijft naar iets onderhuids, aan expliciet heb je niks. Als je schrijft: ‘Ik ben kwaad’, voelt je lezer niks. Terwijl dat het mooiste is, en het interessantste van fictie: dat je iemand mee kunt nemen in een gevoel. Maar dan moeten je woorden zó kloppen dat ze universeel zijn en toch superparticulier.”

Universeel en particulier, dat klinkt onmogelijk.

„Ik bedenk het, dus in die zin is het particulier. Maar toch moet iedereen die het leest een gevoel herkennen, terwijl ik dat niet expliciet wil opschrijven.”

Dan wordt het vanzelf ook een verhaal óver jou?

„Dit boek is op geen enkele manier autobiografisch en toch is alles gelinkt aan mijzelf. Omdat ik bij elke situatie bedenk: hoe zou ik dat voelen, hoe zou hij dat voelen, herinnert het me ergens aan? Een boek is voor mij af wanneer elke zin een soort fundament heeft, op een herinnering, een fantasie – de meeste dingen steunen op een fantasie. Doordat ik de theaterschool heb gedaan, denk ik soms dat ik personages behandel met een acteursblik: heel precies kijken en je inleven in wat iemand doet. Dat was één van de interessantste uitdagingen bij dit boek: hoe maak je een levend en invoelbaar personage van iemand die zo’n handicap heeft? Omdat het cliché van kwijlende mensen niet opgaat. Lucien mocht geen robot worden die maar een paar handelingen kan verrichten.”

Maar het blijft jóuw voorstelling van zijn leven, toch?

„Als het goed is merk je dat niet. Dat is het magische aan fictie. Geen enkele anekdote is autobiografisch, dus mensen kunnen denken dat ze door dit boek te lezen niets van mij te weten komen. Tegelijk zitten ze in het meest intieme deel van mijn zijn, namelijk mijn verbeelding. Het kan heel storend zijn in een boek, als je de schrijver erdoorheen ziet. De beste jeugdboeken zijn zo meeslepend dat je de schrijver vergeet en het verhaal groter wordt dan het boek: de personages worden echt bestaande vrienden en vijanden, hun angsten nestelen zich in je. Die intensiteit is misschien wat ik ook nastreef in mijn boeken voor volwassenen.”

Hoe doe je dat?

„Nadenken, proberen, zorgen dat ik mijn eigen belangen of mijn eigen ijdelheid niet laat meewegen in het schrijven. Ik moet er zelf zo min mogelijk in zitten – terwijl ik in alles zit.”

Omdat de lezer je dan gelooft? Omdat je hem dan in je macht hebt?

„Ha, macht! Ja, ik probeer de lezer over zijn morele grenzen heen te lokken. Daar waar het onprettig wordt, daar is het interessant: waar ik gevoelens ontdek die ik niet een-twee-drie begrijp. Dat was in Birk de relatie van moeder en zoon die heel langzaam verandert, tot je ineens over de rand kukelt. En in Zomervacht bij de band tussen Brian en Selma, die een geestelijke beperking heeft. Daarbij zouden bij jou alle alarmbellen af kunnen gaan, maar ik hoop je steeds weer een micrometer verder mee te lokken, zodat je gaat hopen dat het met hun liefde wat wordt. Dan word je als lezer ook een beetje verantwoordelijk.”

En dan wordt het onbehaaglijk voor je lezer.

„Ik zie het als taak van mij als schrijver om die gevoelens waar ik me een beetje voor schaam te onderzoeken en te gaan begrijpen. Ik kan me in bijna alle dingen uiteindelijk wel inleven, hoe gruwelijk ze ook zijn. Daarom moet ik mijn tijd besteden aan dat uitzoeken, voor de mensen die daar niet aan toekomen, omdat ze in een ziekenhuis werken of boer zijn of op de binnenvaart zitten. Zodat zij als lezers een bepaalde empathie gaan voelen, terwijl ze dat eigenlijk niet willen.”

Het is onprettig daar waar het over machtsmisbruik gaat.

„Macht heeft in zich dat misbruik op de loer ligt. Brians motieven met Selma zijn niet misbruikend, maar we zullen het altijd beoordelen als ongelijk. De aanwezigheid van macht is eng, omdat je er zonder het te weten gebruik van kunt maken. Zonder te hoeven handelen zelfs. Zoals wanneer Lucien verbrandt door de zon: Brian had de macht om hem te laten liggen en binnen een stripboek te lezen. Misschien is deze fascinatie te herleiden tot mijn vaderschap, maar ik was daar vóór Midas ook al mee bezig.”

Wat wil je dat een lezer doet met die wetenschap?

„Nou, je moet niks, ik wil je niet één bepaalde kant op sturen. Maar ik hoop dat er gedachten gaan woekeren – zoals ook bij die verhaallijn over Emile, die een caravan huurt op het landje. Je weet dat er iets in zijn leven is voorgevallen waardoor hij daar is terechtgekomen, maar niet precies wát. In een ander interview wilden de vraagstellers van me weten of Emile nou een pedofiel was of niet. Voor mij is overduidelijk wat er met hem is voorgevallen, maar dat ga ik jou niet vertellen. Jij vult als lezer dat personage in, legt betekenis in een wesp die door de kamer vliegt, en maakt met al je vooroordelen en verwachtingen een deel van het verhaal. Dat dat allerlei kanten op kan woekeren, dat is precies wat ik je wil laten ervaren.”

Jaap Robben: Zomervacht. De Geus, 316 blz. € 21,99
    • Thomas de Veen