Opinie

    • Tommy Wieringa

Genoegens

Colin Kaepernick is een ster in een sport die ik niet goed doorgrond – teveel statistieken en onderbrekingen, opgeluisterd door immer grijnzende dansmariekes die de beentjes in de lucht gooien. Uit protest tegen sociale en raciale ongelijkheid in zijn land weigerde Americanfootballspeler Kaepernick de Amerikaanse vlag eer te bewijzen door ervoor op te staan, en werd feitelijk verbannen uit de sport. Donald Trump droeg actief bij aan zijn ondergang door hem met kracht te haten op Twitter. Nadat Nike Kaepernick het gezicht van zijn nieuwe campagne maakte, tweette Trump dat het bedrijf om zeep zou worden geholpen op de beurs.

Het presidentschap van de wrok en de vervloeking. Liefst zou hij verwoesten wat zijn toorn wekt. Als een Xerxes de Hellespont geselen. Aldoor bezigt hij de taal van het geweld. Tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen suggereerde hij dat Hillary Clinton altijd nog kon worden neergeschoten, onlangs beweerde hij dat er geweld zou volgen als de Republikeinen de congresverkiezingen in november verliezen. Geweld is de joker van de populist – als hij het niet al vergoelijkt zal hij er uiteindelijk openlijk of bedekt toe oproepen omdat zijn giftige leuzen gaandeweg kracht en glans verliezen, en hij nu eenmaal de politiek van de overtreffende trap bedrijft.

In het Nike-filmpje zien we atleten rennen, springen en winnen, begeleid door de voice-over van Kaepernick, die oproept om groot te dromen en je niets van de scepsis van anderen aan te trekken. Het gebruikelijke stompzinnige Amerikaanse optimisme kortom, hier verbeeld als een vederlichte illusie uit de droomfabriek van Nike.

De gymschoenenfabrikant parasiteert op de prestaties van sporters als LeBron James en Serena Williams – de uitzonderlijke talenten van enkelingen worden iedereen ten voorbeeld gesteld. We worden niet alleen opgeroepen ze te bewonderen maar ook om hun voorbeeld te volgen – just do it, weet je wel. Nike toont niet het offer en niet de arbeid die nodig is om aan de top te raken, maar verblindt ons uitsluitend met de glans van het resultaat. Uniek talent wordt ingezet voor de opgewekte leugen dat zulke prestaties voor iedereen mogelijk zijn, als je maar wil – de bron van veel ongeluk en gefnuikte ambities. Wie de top niet haalt, heeft dat aan zichzelf te danken. Niet groot genoeg gedroomd.

Het offer komt pas aan het eind ter sprake, als Kaepernick zegt: „Believe in something. Even if it means sacrificing everything.” Ik vraag me af of Kaepernick wist dat hij zijn sportcarrière opofferde toen hij weigerde op te staan voor de vlag, maar hoe dan ook is hij geen phony, in tegenstelling tot zijn opdrachtgever Nike.

Ik ken een jongen die op weg was alles op te offeren voor zijn sport. Zijn jeugd was een langgerekt trainingskamp, zijn vreugde de overwinningen aan de rekstok en op de brug. De vraag of hij gelukkig was, raakte ondergeschikt aan de verwachting dat hij de Olympische Spelen zou kunnen halen. Toen hij begin deze zomer vertelde eigenlijk te willen stoppen, ontmoette hij veel weerstand. Zijn vader, een rugbyvriend met wie ik soms bier drink, vroeg me bij een van die gelegenheden of ik hem iets wilde schrijven, mijn gedachten over zijn wens met turnen op te houden. Zo kwam het dat ik die nacht om twee uur een vijftienjarige jongen liet weten dat ik zijn verlangen naar een aangenaam en gelukkig leven goed begreep. Talent, schreef ik met de stelligheid van de dronkenman, is geen verplichting, zomin als hij zijn ouders of de turnbond iets verplicht was.

Enige tijd later lichtte hij zijn trainers in over zijn besluit – zelfs een aardig briefje van Epke Zonderland bracht hem niet meer op andere gedachten – en genoot van een lange, onbekommerde puberzomer. Zijn vader zegt dat hij leeft als in Bertolt Brechts gedicht Vergnügungen.

Der erste Blick aus dem Fenster am Morgen

Das wiedergefundene alte Buch

Begeisterte Gesichter

Schnee, der Wechsel der Jahreszeiten

Die Zeitung

Der Hund

Die Dialektik

Duschen, Schwimmen

Alte Musik

Bequeme Schuhe

Begreifen

Neue Musik

Schreiben, Pflanzen

Reisen

Singen

Freundlich sein

    • Tommy Wieringa