Brussel balanceert tussen halve maatregelen en censuur

Dossier nepnieuws: EU-maatregelen Brussel bestrijdt nepnieuws door techbedrijven een gedragscode te laten ondertekenen en Europese factcheckers te ondersteunen. Steviger ingrijpen stuit op angst voor censuur.

Illustratie: Lynne Brouwer

Ze zijn nog steeds actief. De Macedonische nepnieuwsmakers die rond de Amerikaanse verkiezingen ruim honderd sites onderhielden waarvan berichten op Facebook vooral door Trump-aanhangers werden gedeeld. Zoals het bericht dat „de elite” een moord op hem beraamde. De grote vrees van gematigde Europese politici is dat deze Macedoniërs, en andere verspreiders van desinformatie, zich in het voorjaar met overgave op de verkiezingen voor het Europees Parlement zullen storten. Daarbij hoopt een bonte verzameling van radicaal-rechtse partijen op Europees niveau het succes te verzilveren dat ze sinds de vluchtelingencrisis van 2015 nationaal vaak al kennen.

Radicaal-rechtse politici maken bijna twee jaar na de verkiezing van Trump nog steeds graag gebruik van de Macedonische sites. Zo retweette Tweede Kamerlid Raymond de Roon (PVV) onlangs een bericht dat een islamitische vluchteling in de Amerikaanse stad Minneapolis veertien keer op een vrouw had ingestoken zonder dat de media erover hadden bericht. In werkelijkheid werd er in december vorig jaar wel degelijk over het voorval geschreven. Dat de voortvluchtige dader moslim is, of een vluchteling, werd nooit bewezen.

Lees ook: In Skopje is nepnieuws goede business

Macedonische jongeren verdienen aan de sites door de vele clicks, die meestal via Facebook binnenkomen, met advertentiebanners te verzilveren. De Macedoniërs zijn niet alleen. Berucht is de Russische ‘trollenfabriek’ in Sint-Petersburg die op grote schaal desinformatie verspreidt. Daarnaast kent ieder land zijn eigen dubieuze sites, Facebookpagina’s en Twitteraccounts met opruiende berichten die vaak een loopje met de waarheid nemen. Op het buitenland gerichte Russische media als RT en Sputnik dragen ook hun steentje bij. Toen de huidige Franse president Emmanuel Macron nog kandidaat was voor het presidentschap weerde hij RT en Sputnik van campagnebijeenkomsten, nadat ze geruchten hadden gevoed dat hij onder invloed stond van een machtige homolobby. Sputnik bracht ook het verhaal de wereld in dat het nieuwe NAVO-hoofdkwartier in Brussel is gemodelleerd naar het logo van de SS.

Gedragscode of wetgeving

Wegens dit soort berichten gaven regeringsleiders de Europese Commissie de opdracht om voor de Europese verkiezingen van mei 2019 met een succesvolle aanpak te komen. Hierbij richt de Commissie zich vooral op internetplatformen als Facebook, Twitter en YouTube, omdat desinformatie daar de meeste mensen bereikt. In het voorjaar werden plannen gepresenteerd voor een ‘vrijwillige’ gedragscode. Daarin werd van de internetbedrijven onder meer verwacht dat ze nepaccounts sluiten, advertenties rond desinformatie beperken en samenwerking met factcheckers aangaan. Critici wezen er direct op dat de gedragscode nauwelijks vrijblijvend te noemen is, omdat Brussel dreigt om voor het einde van het jaar met bindende wetgeving te komen als de gewenste resultaten uitblijven. Hoogleraar informatierecht Nico van Eijk (Universiteit van Amsterdam) waarschuwde in NRC voor het „sluipende gevaar” dat de EU gaat bepalen wat wel en niet mag: „Als maatregelen raken aan fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, dan is het zeer de vraag of de EU zich daarmee moet gaan bemoeien.”

Bekijk ook onze video over deepfakes:

Ondertussen heeft Brussel, in samenwerking met de online platformen, een voorlopige gedragscode opgesteld waarin de genoemde eisen inderdaad staan opgesomd. Een woordvoerder liet namens Facebook aanvankelijk weten dat het bedrijf de code onderschrijft, maar meldde later dat het bedrijf daarover pas besluit als de gedragscode definitief is. Waarschijnlijk gebeurt dat eind deze maand.

Zowel Facebook als Twitter lijken hun strijd tegen desinformatie de afgelopen tijd al wel te hebben opgevoerd. Regelmatig klagen internetgebruikers die gekant zijn tegen immigratie en de Europese Unie, dat artikelen worden verwijderd. Meest geruchtmakend was onlangs de verbanning van de Amerikaanse complotdenker Alex Jones van onder meer Twitter en Facebook. Volgens Jones zijn de aanslagen van 11 september 2001 het werk van de Amerikaanse overheid. De schietpartij in 2012 op de Sandy Hook-basisschool, waarbij 27 doden vielen, was volgens Jones in scène gezet door linkse voorstanders van strenge wapenwetten. Facebook haastte zich te verklaren dat de verbanning van Jones niets met de verspreiding van desinformatie te maken had, maar dat hij regels tegen haatzaaien en pestgedrag had geschonden. Net als de EU worden de internetbedrijven geregeld beschuldigd van censuur.

Netwerk van factcheckers

Facebook laat aan NRC weten dat het achter de schermen wel veel maatregelen neemt tegen de verspreiding van desinformatie. Het bedrijf zegt recent de grens van 15.000 moderatoren te zijn gepasseerd en verwacht het team voor het einde van het jaar te hebben uitgebreid naar 20.000 mensen. In 17 landen zou met 27 factcheckorganisaties worden samengewerkt. In Nederland gebeurt dat met factcheckers van Nu.nl. Daar is één redacteur beschikbaar om berichten voor Facebook te checken. En om de transparantie te vergoten krijgen politieke advertenties op Facebook sinds juni specifiek dat label, met informatie erbij wie er voor de advertentie heeft betaald.

Dat is voor de Europese Commissie niet genoeg. Brussel werkt aan een eigen „onafhankelijk” Europees netwerk van factcheckers. De feitencontroleurs in het netwerk zouden gemeenschappelijke onderzoeksmethoden moeten ontwikkelen, ‘best practices’ moeten uitwisselen, gezamenlijk onderwerpen moeten checken en „brede publiciteit in de EU” moeten genereren voor hun checks. Hun onafhankelijkheid zou gegarandeerd worden doordat de Commissie alleen een „technische infrastructuur” levert, zich niet bemoeit met de te checken onderwerpen en geen financiële bijdragen doet.

Nepnieuwsonderzoekers Peter Burger en Alexander Pleijter van Nieuwscheckers, het factcheck-initiatief van de opleiding Journalistiek aan de Universiteit Leiden, zijn momenteel in gesprek met ‘Brussel’ over deelname aan het netwerk. Volgens Burger zou de Commissie technieken voor monitoring leveren zoals Crowdtangle, waarmee gevolgd kan worden welke berichten op sociale media veel worden gedeeld. „Of een factcheck-hulpmiddel zoals InVID, voor de verificatie van foto’s en video’s. Dat is een goed voorbeeld van de steun die wij ideaal vinden: gesubsidieerd met Europees geld, vrij beschikbaar voor iedere internetgebruiker en politiek volkomen neutraal”, zegt Burger. Hij verwacht na een bijeenkomst eind september tussen de Commissie en Europese factcheckers te beslissen of Nieuwscheckers mee gaat doen.

Mogelijk gaan de Leidse studenten onder leiding van Burger en Pleijter ook voor Facebook weer berichten controleren. Die samenwerking ligt sinds begin dit jaar stil omdat de Universiteit Leiden en Facebook er door een „juridische kwestie” niet in slaagden een nieuwe samenwerking te beginnen.

Nepnieuwswetten

Naast al deze initiatieven vanuit Brussel en de internetbedrijven nemen individuele EU-landen soms vergaande maatregelen in de strijd tegen desinformatie. Ook hierbij wordt druk gedebatteerd over de vraag of ze zich niet bezondigen aan censuur. In Frankrijk heeft de regering van president Macron een wet voorgesteld om „nepnieuws” te bestrijden, die rechters de mogelijkheid geeft desinformatie op sociale media in de aanloop naar nationale verkiezingen te verbieden. „Wat weerhoudt iemand er straks van te claimen dat bepaalde desinformatie wel klopt, aangezien die niet door een rechter is verboden?”, was het kritische commentaar van de belangenvereniging Verslaggevers Zonder Grenzen. Het voorstel voor een door de staat gerunde factcheck-site leidde direct tot bezorgde commentaren vanuit de media en de oppositie over op handen zijnde censuur door de regering. Het is nog onduidelijk of het regeringsvoorstel door het parlement komt.

Lees ook: Facebook als de ‘hulpsheriff’ van de Duitse staat

In Duitsland is een vergaande wet om desinformatie op internetplatforms tegen te gaan al wel van kracht. Sinds 1 januari zijn platforms als Facebook en Twitter verplicht te toetsen of berichten die door gebruikers als onwettig worden aangemerkt strijdig zijn met Duitse wetgeving tegen het aanzetten tot haat en andere strafbare daden. Als de platforms strafbare berichten meer dan 24 uur laten staan, riskeren ze een boete tot 50 miljoen euro. Sindsdien klagen politici van de radicaal-rechtse partij AfD en tal van andere Duitsers regelmatig dat hun berichten, al dan niet satirisch bedoeld, worden verwijderd. Uit binnen- en buitenland kreeg de Duitse regering kritiek omdat het beslissingen om berichten te verwijderen uitbesteedt aan commerciële bedrijven. Die zouden uit angst voor de forse boetes het zekere voor het onzekere nemen en zo de vrijheid van meningsuiting inperken.

Het kon de toenmalige Duitse minister Heiko Maas (Justitie) niet overtuigen. Hij verdedigde zich door te zeggen dat de vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief geeft om misdaden te plegen. De meeste Duitsers lijken het met hem eens. Uit een peiling in opdracht van de overheid bleek in het voorjaar dat 70 procent van de Duitsers de wet steunt. Slechts 26 procent is bezorgd dat de maatregel een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting.

    • Wilmer Heck