Recensie

Ze is blond, dun, mooi en voorlopig in winterslaap

Ottessa Moshfegh Rouw en depressie storten een jonge vrouw in een leeg bestaan vol medicijnen. Ottessa Moshfegh (1981) schreef er een verleidelijke roman over, die uiteindelijk ook nogal wat boeiende vraagstukken openlaat.

Foto Dalina Rahman/Getty Images

Slapen, dat is alles wat ze wil, de naamloze vertelster uit de nieuwe roman van Ottessa Moshfegh. Ze sluit zich steeds meer op in haar appartement, en in zichzelf. Toch is ze niet suïcidaal, vindt ze. ‘Eigenlijk was het juist het tegenovergestelde van zelfmoord. Ik hield een winterslaap uit zelfbehoud. Ik dacht dat het mijn leven zou redden.’

Dat leven ziet er op het eerste gezicht niet slecht uit. Ze is 26, ‘blond, dun en mooi’, door een erfenis heeft ze geld genoeg voor een appartement in Manhattan en om de tijd door te komen heeft ze een baantje in een hippe galerie – tot ze daar ontslagen wordt.

Een van de weinige mensen die ze nog ziet is Reva, een vriendin die ze heeft overgehouden aan haar studietijd. Reva is druk, neurotisch, ‘een meester in het schatten van het gewicht van mensen en voorwerpen’ en naar eigen zeggen ‘niet knap genoeg voor New York’. Het is een effectieve schrijverstruc: voorzie je hoofdpersoon van een vriend of vriendin die op aandoenlijke wijze net wat dommer is; zo wordt het voor de lezer eenvoudiger en verleidelijker om zich met die hoofdpersoon te identificeren. Ook deze keer werkt dat, samen met de vertelster kunnen we ons minzaam ergeren aan Reva.

Een roman is een recept dat je bij jezelf inlevert

Het is een verleidelijk boek, Mijn jaar van rust en kalmte; al lezend krijg je zin om al je verantwoordelijkheden van je af te schuiven, naar bed te sluipen en de dekens over je hoofd te trekken. Moshfegh verleidt je met de toon die ze haar hoofdpersoon meegeeft. Die toon is stoer, cynisch, berustend, koel observerend. Onder het cynisme schuilt uiteraard tragiek, want dit is een roman over een depressie. Beide ouders van de vertelster zijn overleden, maar ze kan zich er niet toe zetten het ouderlijk huis te verkopen. Ze zit, kortom, nog vast aan haar verleden, en uit diverse terugblikken blijkt dat haar ouders op z’n zachtst gezegd geen ideale opvoeders waren, met voldoende oog voor de behoeften en talenten van hun kind. En hoewel de vertelster haar periode van rust en kalmte zegt te beginnen om ‘een nieuw iemand’ te worden die immuun is voor pijnlijke herinneringen, lijkt ze toch vooral de beslissing uit te willen stellen over wat ze met haar leven moet doen, en met die herinneringen, en met het huis waarin ze is opgegroeid.

Krankzinnige zielknijpster

Voor haar winterslaap heeft ze middelen nodig, en gelukkig treft ze dokter Tuttle, ‘de enige psychiater die op een dinsdag om elf uur ’s avonds de telefoon opnam’. De lichtelijk krankzinnige zielknijpster heeft geen enkele moeite met het voorschrijven van grote hoeveelheden kalmerende middelen. Er komt in de roman een ontstellende verzameling van al dan niet verzonnen medicatie voorbij: Ambien, Solfoton, Lithium, Xanax, Haldol, Valdisnurk, Benadryl, Temazepan, Seconal, Zyprexa, Maxiphenphen, Silencior – het is alsof de laden van een apotheek over je worden uitgestort. Het wordt pas echt serieus wanneer dokter Tuttle haar het experimentele middel Infermiterol meegeeft. Dat blijkt een ideaal medicijn dat de vertelster telkens drie dagen uitschakelt, ook al doet ze tijdens die dagen wel dingen die ze zich later niet meer kan herinneren. (‘Het viel me op dat mijn haar korter was. Ik had het kennelijk tijdens mijn black-out laten knippen.’) Juist dan ziet ze mogelijkheden om haar winterslaap systematisch aan te pakken. Haar kleren schenkt ze aan Reva. Die pakt ze in ‘met de gehaaste efficiëntie van iemand die een zandkasteel bij zonsondergang bouwt en weet dat het zo meteen vloed wordt.’

Lees ook de recensie van Moshfeghs vorige boek, een verhalenbundel

Generatie X-romans

Ottessa Moshfegh (Boston, 1981) is een schrijfster om in de gaten te blijven houden. Haar eerste roman, Eileen, die in 2016 de shortlist van de Booker Prize haalde, leek een eenvoudige noir-achtige thriller, maar riep toch allerlei vragen op. Mijn jaar van rust en kalmte doet dat ook. De roman speelt van 2000 tot in 2001. Je vraagt je af waarom Moshfegh voor die periode heeft gekozen, ik moest denken aan generatie X-romans die bevolkt werden door personages die niet wisten hoe ze hun lege levens moesten vullen. En ook de satirische blik op de moderne kunst die Moshfegh ons via het werk van haar vertelster gunt is typerend voor laat-twintigste-eeuwse literatuur. Is Mijn jaar van rust en kalmte een commentaar op een genre? Maar dan worden in het voorbijgaan een paar keer de Twin Towers genoemd en inderdaad, aan het einde blijkt dat we al die tijd op weg waren naar 9/11. Ook dat roept vragen op. Hoe moeten we die gebeurtenis met het lot van de vertelster verbinden? En die laatste regels, over de vallende vrouw – zijn die banaal, verzoenend, optimistisch, cynisch?

In het hoofd van de schrijver

Zo zorgt een toegankelijke roman toch voor een leeservaring waarbij je door het verhaal heen wil kijken, direct in het hoofd van de schrijver, om te zien hoe ze het heeft bedoeld. Maar wat ze bedoelt heb je in je handen, en daar moet je het mee doen. Een roman is geen recept dat je bij een apotheek kan inruilen voor een allesverklarend kalmerend middel. Een roman is een recept dat de auteur voor jou als lezer uitschrijft en dat je alleen maar bij jezelf kan inleveren. En daar zit je dan, je bent je eigen apotheek, je kan alleen maar je eigen laatjes opentrekken.

    • Rob van Essen