Wetenschappers krijgen nieuwe integriteitscode

Integriteit Wetenschappers moeten meer houvast krijgen in kwesties van fraude en plagiaat. „We zijn tot de pijngrens gegaan.”

Foto Niels Wenstedt/ANP

Universiteiten, hogescholen, organisaties voor wetenschappers en wetenschappelijke instellingen hebben gezamenlijk een wetenschappelijke integriteitscode opgesteld. Deze vrijdag wordt de nieuwe code, die de huidige integriteitscode van universiteitenvereniging VSNU vervangt, gepresenteerd. 1 oktober wordt de code van kracht.

Op 25 kantjes zijn de principes van eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid tot 61 normen uitgewerkt. Instellingen krijgen een zorgplicht en er zijn sancties op niet-naleving.

Nieuw is het onderscheid tussen „schending van wetenschappelijke integriteit”, „bedenkelijk gedrag” of „lichte tekortkomingen”. „En het maakt verschil of de overtreder een hoogleraar of een aio is, want van de een mag je meer deskundigheid verwachten dan van de ander”, aldus Lex Bouter, hoogleraar methodologie en integriteit aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en mede-opsteller. Voor de bepaling van de ernst van een overtreding bevat de code ook voor het eerst wegingscriteria.

Volgens Bouter hadden integriteitscommissies behoefte aan dergelijk houvast om te kunnen oordelen. Zij kunnen dan in hun uitspraken over schendingen verwijzen naar de precieze bepalingen in de code.

„We zijn tot de pijngrens gegaan van wat specifiek gemaakt kan worden voor alle disciplines samen”, zegt Bouter. „We hebben bijvoorbeeld proberen te formuleren wat als plagiaat geldt: ‘het gebruik zonder passende erkenning van ideeën, werkwijzen, resultaten of teksten van een ander’. Maar dat blijft moeilijk door de grijstinten. Elke integriteitscommissie zal dat van geval tot geval moeten bekijken, ook rekening houdend met de gebruiken binnen het vakgebied.”

De code geeft integriteitscommissies meer ruimte om klachten niet-ontvankelijk te verklaren. „Het is niet de bedoeling dat commissies zich bezighouden met flutzaken”, zegt Bouter. „En het gaat je als wetenschapper niet in de koude kleren zitten als je een onterechte klacht aan de broek krijgt.” Commissies mogen daarom afzien van behandeling als het om wetenschappelijke meningsverschillen of een arbeidsconflict blijkt te gaan. Dat onderscheid is nu niet scherp.

In de nieuwe code blijft anoniem klagen mogelijk als er volgens het instellingsbestuur zwaarwegende belangen zijn om de klacht uit te zoeken, mits dat kan zonder nader contact met de anonymus. De VU kreeg in 2016 nog harde kritiek van het beroepsorgaan voor wetenschappelijke integriteit LOWI voor het accepteren van een gedocumenteerde anonieme klacht in de plagiaatzaak van econome Karima Kourtit. „Categorisch niet-ontvankelijk verklaren van anonieme klachten vonden wij niet verstandig”, zegt Bouter. „Dat is lastig vol te houden als er bijvoorbeeld veel (sociale-)media-aandacht is die de reputatie van de beschuldigde en de instelling schaadt.”

Een steen in de schoen zijn de standaardvoorwaarden voor onderzoek in opdracht van de overheid die in strijd zijn met de wetenschappelijke integriteit. Zo staat in het standaardcontract van de overheid dat de opdrachtgever kan bepalen of er wordt gepubliceerd. Maar volgens de integriteitscode heeft een wetenschapper een publicatieplicht. Dit om te voorkomen dat onwelgevallige onderzoeksresultaten worden verdoezeld.

Lees ook: Overheid dwingt wetenschappers onafhankelijkheid op te geven

Uit een peiling van NRC over ongewenste invloed bij onderzoek in opdracht bleek dat veel wetenschappers daar problemen mee hadden. Minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) zei dat ze nog eens goed naar deze regels wil kijken.

Bouter vindt dat de omstreden Rijksvoorwaarden voor onderzoek in opdracht niet horen te gelden. Hij snapt „dat je als wetenschapper zo’n onderzoekscontract ondertekent, maar het is niet goed”.

Een ander probleem, dat ook uit de peiling van NRC naar voren kwam, is dat veel wetenschappers de integriteitscode niet lezen. Bouter inventariseert bij voordrachten altijd hoeveel wetenschappers hun eigen beroepscode ook echt hebben gelezen. „Dat komt nooit boven de 5 procent. Dat is gênant, dat moet anders”, zegt hij.

Wat garandeert dat de nieuwe code meer lezers zal krijgen? „We gaan de zeepkist op. De code moet ook worden geïntegreerd in het onderwijs en alle onderzoekers moeten erin worden getraind”, zegt Bouter. „In wetenschappelijke instellingen moet een cultuur ontstaan waarin je kunt praten over de haken en ogen van onderzoek doen. Je moet niet voor elke fout op je kop krijgen maar daarvan kunnen leren.”

    • Frank van Kolfschooten
    • Maarten Huygen