Opinie

    • Georgina Verbaan

Kleine kastanje

De kat met de korte pootjes is dood. Sasaman. Mijn kleine stinkkat. Een jaar of tien geleden ontmoette ik hem op de Poezenboot. Ik werkte er als vrijwilliger. Het had veel wilskracht gevergd om niet wekelijks een kat onder mijn trui mee naar huis te smokkelen. Op een woensdagochtend stapte ik de quarantaine in – zo met mijn schoenen in het ontsmettende voetenbakje – en ik wilde net een stofjas aantrekken toen een penetrante urinelucht – met ondertonen van verrotting en pus – mijn neusvleugels inschoot en mijn geurcentrum lamlegde. Ik moest me echt even vasthouden en wist niet of het een voordeel of een nadeel was dat ik nog niet ontbeten had.

„Mijn God… Wie stinkt hier zo??” riep ik, terwijl ik mijn blik langs de hokken liet gaan. „Mrauw”, klonk het. Een diepe rauwe mrauw. Het kwam uit een kleine bruine streepjeskat met witte vlekken. Ik ging voor zijn hok staan en boog me voorover. Twee grote groene wijze ogen keken me beleefd aan. „Jezus, jongen. Ben jij het?” „Mrauw.” Ik was verliefd. Iemand die zo onbehoorlijk kon stinken, iemand met veel te korte o-poten aan de voorkant en X-poten aan de achterzijde van zijn malle fysiek, iemand die mij tegelijkertijd als een bokser en een filosoof voorkwam, een katspersoon van het formaat yorkshireterriër, die zo’n vreselijk stank verspreidde en tóch de moed erin hield, dat moest wel een hele grote zijn. Hij was weggedaan omdat hij in huis plaste. Op de Poezenboot bleek waarom: zijn castratie was ooit mislukt. Er zat nog een testikel te etteren in zijn buik.

Hij beet Doctor Dikkie in zijn bil en een vriendschap was geboren

Er moest van hem gehouden zijn. In tegenstelling tot veel andere katten die in de mens, de soms vreselijke mens, teleurgesteld geraakt waren en dat demonstreerden door je door de tralies heen aan te vallen, gaf deze stinkbeer zich meteen over toen ik hem door mijn mond ademend knuffelde. Opgelapt ging hij mee naar huis. Daar beet hij Doctor Dikkie in zijn bil en een vriendschap was geboren. Tien jaar lang scharrelde die vrolijke noot door mijn leven. Hij ging gebukt onder dwerggroei. Uiteindelijk letterlijk. Zijn rug groeide vast. Hernia’s. Zichzelf wassen kon hij niet, maar Dikkie was nooit te beroerd om hem intiem te verzorgen. Poezenprednison slikte hij uiteindelijk, soms zelfs morfine. Lang verhaal kort: Dikkie stierf en hij takelde af. De komst van zijn nieuwe kat Fred nam hij ter kennisgeving aan en het washandje dat ik ter hand nam kon de technieken van Dr. Dikkie niet evenaren. Lopen ging niet goed meer en over zijn blaas had hij weinig controle.

De avond voor we op vakantie gingen moesten we hem toch enigszins onverwacht laten gaan. In een kille helverlichte kamer in een dierenziekenhuis. Ze zouden hem gedurende onze vakantie in de vriezer bewaren. Bij terugkomst belde ik met ze om te informeren naar zijn afmetingen in bevroren staat, voor de doos die we wilden versieren, de doos die bij Dikkie in zijn graf moest komen. „Het spijt ons vreselijk, dit gebeurt anders nooit..” Zo plots als hij mijn leven indook is hij er ook weer uit verdwenen. Zijn mooie kleine lichaam, die kastanje op cocktailprikkertjes, knutselwerkje van een kind, is naamloos verbrand in een oven.

    • Georgina Verbaan