Hoofdkantoren van multinationals: van graag geziene gasten tot hoofdpijndossiers

Hoofdkantoren Nederland probeert al jaren hoofdkantoren van multinationals te trekken. Bij Unilever is het gelukt. Of is het kabinet te ver gegaan?

Waarschuwing voor politici en topmanagers: hoofdkantoren geven hoofdbrekens.

Of ze zijn zelfs regelrechte hoofdpijndossiers, zoals de keuze van het Brits-Nederlandse voedingsbedrijf Unilever voor Rotterdam als de enige hoofdkantoorlocatie.

Hoofdkantoren van Nederlandse én van buitenlandse multinationals zijn graag geziene gasten. Goed voor banen. Goed voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling die Nederland in de internationale concurrentieslag nodig heeft voor economische groei. Energiemaatschappij Shell kondigde bijvoorbeeld afgelopen week een investering van omgerekend 172 miljoen euro aan in een nieuwe campus in Den Haag die zich richt op de ontwikkeling van schonere energie. Dat moet tegen 2023 een paar honderd banen opleveren, zegt Shell Nederland. Dat zou lokale en landelijke politici moeten aanspreken, is de gedachte: leve Nederland kennisland.

Maar de politiek om hoofdkantoren te trekken, heeft ook een keerzijde. Die kantoren geven overlast. Zie de politieke pressie op de top van ING. De recordschikking van 775 miljoen euro met justitie wegens jarenlange wetsovertredingen, kon niet zonder personele gevolgen in de top blijven. Financieel directeur Koos Timmermans trad deze week af. De witwaszaken bij ING worden in één adem genoemd met een vergelijkbare affaire bij een Deense bank. Voor Nederland is het extra pijnlijk dat een van de vier klanten van ING die in het feitenrelaas van het Openbaar Ministerie voorkomen zélf het Nederlands hoofdkantoor is van een buitenlandse multinational.

En dan is er splijtzwam Unilever. Het kabinet Rutte III dacht met de afschaffing van de dividendbelasting Unilever over de streep te trekken om de twee bestaande hoofdkantoren in Londen en Rotterdam te concentreren in de Maasstad. Dat is gelukt. Maar de prijs is hoog: voortdurend politiek debat, spanning in de regeringscoalitie en vertrouwensverlies van een spraakmakend deel van het bedrijfsleven.

Het kabinet Rutte III dacht met de afschaffing van de dividendbelasting Unilever over de streep te trekken, maar de prijs is hoog

Tussen de interne documenten over de afschaffing van de dividendbelasting die het kabinet vorige week heeft vrijgegeven, zit een brief van de Amerikaanse kamer van koophandel AmCham. In de brief, gedateerd 7 november 2017 feliciteert AmCham de staatssecretaris van Financiën Menno Snel (D66) met zijn benoeming. AmCham is verheugd over het einde van de dividendbelasting in 2020 en de verlaging van de winstbelasting die het kabinet Rutte III heeft aangekondigd.

Lees ook: Is de dividendbelasting nou wel of niet een cadeautje voor beleggers?

Maar vorige week heeft AmCham zijn steun publiekelijk ingetrokken. Het wordt te duur. Het zijn hoofdzakelijk Shell en Unilever die er baat bij hebben. Andere bedrijven moeten nu de afschaffing van de belasting (geraamde kosten: 1,9 miljard euro) betalen, is de klacht. Maar er is het laatste jaar nog iets veranderd. „De discussie over de afschaffing van de dividendbelasting leidt tot algehele negatieve beeldvorming rond multinationals”, constateert AmCham.

Met die ommezwaai breekt het front van bedrijven dat pro-dividendafschaffing is. Voor een deel van de grote ondernemingen is het kabinet Rutte III te ver gegaan.

Minder belasting? Ja, graag

De beoogde afschaffing van de dividendbelasting is het afgelopen jaar symbool geworden voor de macht van de grote ondernemingen en hun invloed op het kabinetsbeleid.

De afschaffing volgt de jarenlange trend dat overheden de belastingen voor het bedrijfsleven verlagen. Zo willen politici investeringen aanmoedigen en hun land als vestigingsplaats promoten. Nederland verlaagde vanaf eind vorige eeuw de winstbelasting voor bedrijven van 35 procent naar 25 procent en de dividendbelasting voor beleggers van 25 procent naar 15 procent. Verder is de belastingdruk verschoven: van belasting op bedrijven naar belasting op aankopen van consumenten (btw). Deze belastingmaatregelen onderstreepten de liberale visie op de rol van de overheid: de politiek schept de voorwaarden voor het bedrijfsleven. Omdat het multinationale bedrijfsleven steeds mobieler is geworden met zijn investeringen en vestigingsplaatsen gold belastingpolitiek als eerste klas industriepolitiek.

Dat sprak het bedrijfsleven wel aan. Ook Unilever. Begin 2005 deed het concern voor het eerst een intern onderzoek naar een versimpeling van zijn complexe structuur met een Engelse en een Nederlandse vennootschap en hun aparte hoofdkantoren in Londen en Rotterdam. Op 4 april 2005 meldden zich twee vertegenwoordigers van Unilever (hun namen zijn onzichtbaar gemaakt) bij de toenmalige staatssecretaris van Financiën Joop Wijn (CDA). Zij komen praten over het vestigingsklimaat en de dividendbelasting. De uitkomst van dat onderzoek van Unilever is dat er in de structuur van het bedrijf weinig verandert.

Kan de overheid ook optreden als beschermheer van grote ondernemingen tegen buitenlandse opkopers?

In de loop van dat decennium krijgt de traditionele lastenverlichtingslobby van de werkgevers een nieuwe dimensie. Kan de overheid, bijvoorbeeld met een verlaging van de dividendbelasting, ook optreden als beschermheer van grote ondernemingen tegen buitenlandse opkopers? Op 15 oktober 2007 schuift staatssecretaris van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) een half uurtje aan bij ambtelijk overleg met de zogeheten ABUP-lobby. Dat zijn Akzo, Shell, Unilever en Philips. Wie er namens hen aan tafel zitten is onleesbaar gemaakt in de documenten. Zij pleitten voor snelle afschaffing van de dividendbelasting. Graag per juli 2008. Hun urgentie is ingegeven „door een mogelijke groep van activistische aandeelhouders en overnemers die op de stoep staan”, zo blijkt uit het wel openbaar gemaakte deel van een ambtelijke notitie.

Lees ook: Trump heeft America First, Rutte het Oranjegevoel

Pas op: overnamedreiging

Deze roep om bescherming is inmiddels politiek ingeburgerd. De afgelopen jaren stonden ministers op de bres tegen dreigende overnames van PostNL, AkzoNobel en Unilever. De bescherming van grote Nederlandse werkgevers komt ook steeds terug in de argumentatie van minister-president Mark Rutte (VVD) voor de afschaffing van de dividendbelasting. Niet nog een overname zoals die van ABN Amro in 2007, die het einde van de bank betekende, zei hij dinsdag in een Kamerdebat.

Maar juist de verdediging van de maatregel heeft Rutte én de grote ondernemingen die daarvan profiteren in het defensief gedrongen. Unilever wil zelf reserves van 58 miljard euro aanleggen om buitenlandse beleggers belastingvrij dividend te betalen als de heffing niet wordt afgeschaft. Shells campus in Den Haag moet laten zien dat het concern, dat ook onder vuur ligt door de miljardenschade van de gaswinning in Groningen, niet alleen neemt, maar ook geeft.

    • Menno Tamminga