De herfst is schitterend, althans volgens Jan Wolkers

Tuin Jan Wolkers hield van de herfst. Dat wordt duidelijk uit de dagboekpassages die Wolkers schreef over zijn volkstuintje.

Jan Wolkers en zijn vrouw Karina in en rond hun tuinhuisje in Amsterdam. Foto’s erven Jan Wolkers

‘Prachtig herfstweer. Gouden oktober”, noteert Jan Wolkers in zijn dagboek op 29 oktober 1971. Wolkers en zijn vrouw Karina wandelen ’s avonds in het volkstuincomplex Amstelglorie aan de zuidkant van Amsterdam, net over de Amstel. „Al die tuintjes zijn geweldig met al die gele, rooie en okerkleurige gewassen.” Wolkers noemt de huisjes „kleine Japanse dromen”.

Ruim een jaar na die wandeling, op 8 december, verwerven ze een felbegeerde volkstuin, nummer 294, met een oppervlakte van 300 vierkante meter. Wolkers-biograaf Onno Blom stelde een selectie samen van alle passages uit de dagboeken van Wolkers die betrekking hebben op tuin plus huisje. Amstelglorie, de volkstuin van Jan Wolkers heet het boek.

Opvallend in de tuinbloemlezing is de aandacht die de herfst krijgt, veel meer dan de andere seizoenen: „Het is schitterend op het volkstuincomplex. Bladerloze bomen vol rode appeltjes en bleke violette herfstasters.” September en oktober, najaar en herfst zijn Wolkers’ geliefde seizoenen. Oktobermaand is de Wolkersmaand bij uitstek, en niet alleen omdat hij op 26 oktober werd geboren. „Oktoberlicht is van goud”, zoals hij meermalen noteert.

Als de toekenning een feit is noteert Wolkers: „Hoera! Spitten, schoffelen en groente kweken.” Het is duizelingwekkend hoe de dan 47-jarige Wolkers aan de tuin mythische proporties geeft.

De tuinliefhebber kan veel leren van Wolkers, hoewel het boek beslist niet belerend is. Maar tussen de regels door staan er fijne lessen in, zoals deze opgewekte notitie van 11 juli 1973: „Maai het gazon. Wordt prachtig. Het is beter dat het gras strak is, omdat de tuin zo wild is.” Dit is tuinles nummer één: een strak gemaaid gazon vormt een fraai contrast met de wildgroei van de borders eromheen.

Bescheiden, maar hoog

In de tijd tussen 1972 en 1981 dat Wolkers en Karina in het bezit waren van de tuin veranderden zij die in een lusthof, een oneindige groene weelde met vergezichten, stukken wildernis, groentebedden, fruitbomen. In de geest van zijn vader merkt Wolkers op dat de tuin misschien bescheiden is van afmetingen, maar „hij is onmetelijk hoog. Tot de sterren.”

Met een dichte haag bamboestruiken en een Boeddhabeeld geeft hij er zelfs een tropische sfeer aan. Dit inspireert hem tot het schrijven van een van zijn grootste romans, De kus (1977), die zich afspeelt in Indonesië.

De bloemlezing biedt gelegenheid de verrichtingen van de natuurbewoners op het ritme van de seizoenen te volgen. We beleven de winter mee met sneeuw, vorst en ijsbloemen, het ontluikende voorjaar, de zomerse hitte en vooral de geliefde herfst. Dit is de tijd van oogsten uit een nagenoeg onuitputtelijke bron: peren, appels, pruimen, uien, walnoten, vijgen, rabarber, ijsradijs, maïskolven, bessen, rode kool, sperziebonen. „De sfeer is zwaar romantisch”, noteert Wolkers op 19 september 1975. „Alles is zo uitgegroeid en staat al in een dampige herfstsfeer te vergaan. Overal violette herfsttijlozen. De enorme zonnebloemen. Al die opengebarsten rijpe tomaten.” Hij munt een nieuw woord, ‘herfstvergeling’, en schrijft over ‘herfstige koelheid’, ‘prachtig herfstweer’, de geur van ‘het rottende ooft’ en over de najaarstuin als ‘een steeds magnifieker stuk verval in het late zonlicht’.

Foto’s erven Jan Wolkers

Het lijkt wel of Wolkers het hele jaar door verlangt naar de herfst, die hij soms al in augustus laat beginnen, zoals op 9 augustus 1974: „Mooie dag, herfst al eigenlijk, met blauwe lucht, grote witte blinkende wolken.” En, op 24 augustus: „Je hoort aan de stemmen buiten dat de herfst begonnen is.” Elders geeft de oktobermaand „prachtig, doodstil, een beetje nevelig herfstweer. Niets beweegt. Het is bijna onnatuurlijk. Net of alles in gelatine staat.” De zonnebloemsoort die hemelhoog reikt, heet toepasselijk de Herbstschönheit. In oktober lijkt het of iedereen op Amstelglorie aan het klussen en snoeien slaat, schrijft Wolkers.

Bijna was het tuinhuisje van Jan Wolkers er niet meer geweest. Nu zijn huisje en tuin weer zoals toen.

Wolkers noemt zichzelf een ‘overijverige polderjongen’. Niets mag aan zijn aandacht ontsnappen. Als ze de tuin binnenkomen schrijft hij: „Eerst altijd even rondkijken naar alles”. Het is elke keer een „speurtocht naar ieder nieuw knopje, blaadje of bloemetje”. Blom stelt in zijn inleiding dat de betovering die uitgaat van een tuin en de hang naar de wilde plantenwereld uit Wolkers’ jeugd stamt: hun eigen tuin in Oegstgeest was grijs en grauw, zijn vader schoffelde alles weg wat ook maar enigszins op onkruid leek.

Wat opvalt aan de notities over de Amstelglorietuin is dat Wolkers niet alleen geboeid is door de wildheid ervan, maar dat hij ook op nauwgezette wijze structuur aanbrengt. Hij is er zeker niet de tuinier naar die de natuur aan haar lot overlaat, integendeel. Dat is les twee. Een weelderige tuin is juist gebaat bij snoeien, opbinden, gras maaien en ja, zelfs schoffelen. Als de schrijver Wolkers het heeft over ‘regels’, dan zijn dat niet de woorden op een bladzijde maar planten en struiken die in een rechte lijn staan. Wolkers legt groentebedden aan volgens nauwkeurig afgemeten vakken. Dagenlang beijvert hij zich om een tuinpad en terras aan te leggen. Cement en tegels horen evenzeer bij de tuin als aarde.

De natuur wijst de weg

Ondanks zijn bemoeienissen met de groei en bloei is Wolkers ervan overtuigd ‘dat de natuur de weg wijst’ en dat bloei evenzeer bij de natuur hoort als het verval. Daarom stond het hem tegen als andere tuinbezitters alles wat met aarde en grond te maken heeft dor maken, planten uittrekken en ‘de aarde zwart steken’, zoals hij het noemt. Wolkers bepleit een ‘bewonderende’ houding ten opzichte van de natuur ‘en de dingen laten gaan zoals ze gaan’. Als het een keer hard heeft gewaaid, dan zijn de herfstbladeren van het pad gewaaid. Een gelukkige Wolkers noteert: „Je ziet de structuur weer van paden en bedden.” De tuin is, met verrassend vocabulaire, ‘keurig’ en ‘ordentelijk’. Structuur en vorm brengt hij aan met hoogsnoeier, maaimachine, schoffel, hark, spade en snoeischaar.

Foto’s erven Jan Wolkers

Het strakke gazon in tegenstelling tot de wildernis eromheen, is een schilderkunstig beeld. Met de blik van de beeldend kunstenaar werkt tuinier Wolkers met diepte en perspectief, met kleur en contrasten, met voor- en achtergrond. Het oog van de kunstenaar en dat van de tuinier vallen samen. De herfst en winter geven aan de uitgebloeide gewassen ‘wonderschone boeketten in een nieuwe bloei’. Wolkers merkt op „hoe feestelijk het is om alles zoveel mogelijk en zo lang mogelijk, totdat de planten weer gaan uitlopen, in dorre toestand te velde te laten staan”.

Lees ook het interview met Karina Wolkers, tien jaar na de dood van Jan: ‘Alles wat hij deed was scheppen’

De voorkeur voor herfst en afscheid krijgt naarmate het boek vordert ook een andere betekenis: Jan en Karina besluiten naar Texel te verhuizen. Een van de redenen is dat de buren de hele zomer de radio keihard aan hebben en dat ze hun tuin ‘kaalgeslagen’ hebben, tot groot verdriet van Wolkers. Er wordt opnieuw hard gewerkt op de tuin, maar nu andersom: zo goed als de hele beplanting reist mee. Op 7 oktober 1980 noteert Wolkers: „Toch gaan we niet met pijn in het hart weg.” Elke keer als ze op de tuin komen „hebben we ook nog de achterbak vol planten meegenomen”. De Amsterdamse volkstuin groeit onbelemmerd door op Texel.

Amstelglorie. De volkstuin van Jan Wolkers. Geoogst door Onno Blom. Uitg. De Bezige Bij, 432 blz. Prijs € 29,99. Inl: amstelglorie.nl/wolkerstuin
    • Kester Freriks