Foto Frank Ruiter

Allerverdrietigst, doodgaan zonder eigen keuken

Lunchinterview Lieke Marsman (28), dichter, was na de diagnose razendsnel van haar kanker af. Zo snel, dat ze „misschien nog steeds” in shock verkeert. „De plek ten opzichte van mijn geboorte en dood is duidelijker geworden.”

Lieke Marsman (28) heeft anderhalve week zeker geweten dat ze kanker had. Op een dinsdagochtend in maart kreeg ze de diagnose. Kraakbeenkanker. Achter haar rechterschouderblad zat een gezwel ter grootte van een grapefruit. De week erop werd ze geopereerd. Tumor eruit, kanker weg, probleem opgelost? Was het maar zo makkelijk. Nou is Lieke Marsman dichter, en nog een heel goede ook. Met haar debuut Wat ik mijzelf graag voorhoud uit 2010 won ze drie literaire prijzen in één klap. Nog geen half jaar na haar kortstondig ziekbed verschijnt deze week De volgende scan duurt vijf minuten. In poëzie en proza gaat ze kanker én maatschappij te lijf.

Voorzichtig handen schudden, hou ik mezelf voor. Ze schreef dat met de tumor ook haar schouderblad en een flink deel van haar spieren in de afvalbak verdwenen. Lieke Marsman ondersteunt haar uitgestoken rechterarm met haar linker. Ze is met de tram naar Happyhappyjoyjoy gekomen, een Aziatisch-Amsterdams restaurant. Het schemert binnen, al is het overdag. ‘Hoe gaat het met je’ is de enig juiste vraag die je kunt stellen aan iemand die het moeilijk heeft, concludeert zij in haar boekje. Dus dat doe ik. En zij antwoordt dat ze eigenlijk niet zo goed weet hoe het met haar is. „Ik was in shock. En misschien ben ik dat nog steeds.” De volgende scan duurt vijf minuten is haar manier geweest het krankzinnig korte ziekteverloop iets uit te rekken. „Ik had dit boekje nodig om de tijd kloppend te maken.”

Nou moet wel gezegd dat het voor ze wist wat haar mankeerde ook niet supergoed met haar ging. Pijn in haar schouder. Dat was natuurlijk RSI, zoiets had ze al eerder gehad. Nieuwe bureaustoel, kookwekker zetten om te pauzeren tussen het schrijven door, naar de fysiotherapeut. Hielp niet. De pijn verhevigde. Ze sliep niet meer. Dit moest wel zijn wat ze een burn-out noemen. Want kijk even naar haar leven. Afgestudeerd filosoof, op haar twintigste bejubeld als dichter, druk sociaal leven, ambitieus. Maar: geen vaste baan, geen zicht op een hypotheek, laat staan een huis. Ze is een zzp’er in een woongroep met vijf anderen. Natúúrlijk heeft ze stress. Kan wel wezen dat haar lichaam haar iets probeerde duidelijk te maken, maar ze had voldoende therapiesessies en mindfulnesscursussen gevolgd om „ieder lijden verdraagzaam te ondergaan”. En bovendien, ze kon wel wéér naar de huisarts gaan, maar wat nou als die zou zeggen dat ze het rustig aan moest doen. Dat kán dus helemaal niet. Waar ze last van had, was het euvel van haar generatie. Dat dacht ze. „Ik had mezelf al helemaal in het narratief van de overspannen twintiger geplaatst.”

Angst voor de eigen dood

Maar het was dus geen millennial-kwaal, maar kanker. En dat verandert de zaken. Want iemand die zo’n enge ziekte achter de rug heeft, zal daar wel als een beter mens uitkomen. Dat zeg ik niet, dat zegt Heidegger, twintigste-eeuws filosoof. Doodsangst, zegt hij, kan een positieve ervaring zijn. Na een confrontatie met de dood, door ziekte of een bijna-doodervaring, zal een mens prioriteiten stellen. Hij zal zich losrukken van de massa en voortaan het leven leiden dat hem echt past. Lieke Marsman schreef haar afstudeerscriptie over doodsangst in het werk van Heidegger en Sartre. Nu zegt ze: „Ik betwijfel of ik toen wist waar ik het over had. En of Heidegger wist waar hij het over had, weet ik ook niet meer zo zeker.” Wat zij nu wel weet, is dat de angst voor de eigen dood een van de meest eenzame ervaringen is die er bestaat. „Kanker zonder katharsis”, dicht ze. Niks loutering.

Emoties komen als ik niets te doen heb. Een gedicht is het resultaat van nadenktijd

Lieke Marsman

Ze heeft zich, liggend in het ziekenhuisbed, wel een paar dingen voorgenomen. Geen poëzielessen meer geven aan middelbare scholieren. Geen lezingen meer houden voor leden van de Rotary. Wel: meer sporten, genoeg slapen, gezonder eten. Te beginnen met toegeven aan de curry craving die ze al een week heeft. Ze bestelt de vegetarische variant met tofu. Erbij non-alcoholisch gemberbier. Tijdsdruk is wat de korte confrontatie met haar dood haar heeft opgeleverd. „De plek ten opzichte van mijn geboorte en dood is duidelijker geworden.” En daarmee, zegt ze, is ook haar plek ten opzichte van de maatschappij duidelijker geworden. In haar boekje doet ze daarom wat filosoof en schrijver Susan Sonntag in Illness as metaphor deed toen ze borstkanker kreeg: de maatschappij flink bekritiseren.

Rationeel en serieus, vind ik. Zij, verbaasd: „Ik vind het overlopen van emotie.”

Lees ook: Sommige vormen van kanker woekeren in stilte

Nu haar ziekte geen stressklacht bleek maar een dodelijke ziekte kan ze, zo lijkt het, met meer gezag spreken over wat eraan schort in de wereld. Laten we even bij haar eigen leven beginnen. Ze was (en is) dus freelancer. Kun je niet werken wegens ziekte, dan krijg je niks. „Ik heb mijn spaargeld voor mijn pensioen opgegeten.”

Ze heeft nog geluk gehad dat ze niet eindeloos aan de chemo moest, en redelijk snel weer kon werken. Dag twee in het ziekenhuis kwamen flarden van dichtregels in haar op. Ze typte die, met links, in haar telefoon. „Emoties komen als ik niets te doen heb. Onder druk of tijdens drukte gebeurt er niks. Een gedicht is het resultaat van nadenktijd.” Heel fijn, zegt ze, om ‘iets’ te hebben waarmee je vorm kan geven aan de chaos die je overvalt als je ziek bent. „Mijn moeder begon in het ziekenhuis ook fanatiek te schrijven toen ze darmkanker had. Dat had ik haar daarvoor nog nooit zien doen.” Ze is de dochter van een kinderpsycholoog en een leraar Nederlands uit Zaltbommel, beiden gepensioneerd.

Dikke, vette pech

Ze weet nu hoe je, opleiding en talent ten spijt, in de bijstand terechtkomt. En ook hoe snel de afgrond zich aandient. Ze hoorde VVD’er Klaas Dijkhoff op televisie zeggen dat „we allemaal een keer pech kunnen hebben”. De pechvogel moet je niet laten creperen, zei hij, die moet zo snel mogelijk weer op eigen benen staan. En daarom vond hij het een goed idee om de bijstand te verlágen. Lieke Marsman heeft lang liggen nadenken over dat woordje pech. „Kenmerkend aan pech is dat het eenmalig is en toevallig.”

Foto Frank Ruiter

Een kankerdiagnose zou je nog pech kunnen noemen, de uitwerking ervan (verlies van baan, relatie, borst) is dat niet. Pech kan ook zijn dat je geboren wordt op de verkeerde tijd of plaats. In een achterstandswijk, een derdewereldland. „Maar alle nadelen die je daarvan de rest van je leven ondervindt, vallen niet meer onder pech.” Die nadelen zijn namelijk niet toevallig, en niet eenmalig. Je hebt weinig fantasie nodig om pech te zien als een tumor die zich ingraaft. Je kunt de wijk, de armoede, het gezwel wegsnijden. Maar dat lost niet in één klap alles op. „Pech is als je onderweg naar je werk in de hondenpoep trapt. Dikke, vette pech is als het de volgende dag weer gebeurt.”

De zorg, ook zo’n onderwerp waarover ze altijd wel een mening had, tot ze zelf ondervond dat beslissingen in de gezondheidszorg niet economisch zijn, maar over dood en leven gaan. Want wie zorgt er voor je als je na zes dagen met twintig hechtingen in je rug uit het ziekenhuis wordt ontslagen? „De eerste week kwam de thuiszorg om het verband te verschonen.” Maar daarna? Haar ouders wilde ze niet met de dagelijkse zorg belasten. Haar vriendin Simone, die ze nog maar net kende toen ze ziek bleek, ook niet. Op psycho-oncologische zorg wordt sinds Rutte-I bezuinigd, dus verlaat ze zich op lotgenotencontact via Facebook. Helemaal gratis.

Geen garanties

Wat niet is veranderd, maar wat ze nu niet meer afdoet als gezeur: het vacuüm waarin haar generatie gevangen zit. Ze zou best kinderen willen, maar: geen baan, dus geen geld, dus geen huis zonder huisgenoten. De allerverdrietigste gedachte, zegt ze, is dat ik doodga zonder ooit een eigen keuken te hebben gehad. Ze moet er bijna weer om huilen.

Nu het eten vrijwel op is, vraag ik nog maar een keer hoe het gaat. Haar make-uploze gezicht staat serieus. Vrijdag, zegt ze, heb ik weer een scan. Gecontroleerd wordt of er niet toch ergens in haar lichaam uitzaaiingen zitten. De kans is niet zo gek groot, maar de kans op dit soort kanker is sowieso klein, en dat je hem op je 27ste krijgt al helemaal. Garanties zijn er niet. Behandelingen ook niet. Chondrosarcoom reageert niet op chemotherapie of bestraling.

Lees ook: De twintiger van nu wil te veel

„Wachten op een scanuitslag slokt al mijn werkgeheugen op. Ik kan nog geen schroefje sorteren of vak vullen.” Hoeveel hersencapaciteit zou permanente armoede kosten?, vraagt zij zich in haar boekje af. Of vluchten voor een oorlog? „Dit zou een heel leuke tijd moeten zijn voor me”, zegt ze. Haar boek verschijnt, en ze is net deze week begonnen bij GroenLinks, de partij waarvan ze al sinds haar veertiende lid is. Ze heeft een aanstelling voor twee dagen per week. „Ik vond het niet verantwoord meer om volledig als zelfstandige door te gaan. Probeer maar eens een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten als zzp’er met een kankerverleden.” Wat ze precies gaat doen, weet ze nog niet. Zou ze politicus willen worden? Flauwe glimlach. „Dat wilde ik altijd wel, maar pas als ik 50 ben. Vooralsnog weet ik niet eens zeker of ik dat wel haal.”

    • Rinskje Koelewijn