Wie hulp nodig heeft, heeft weinig aan een netwerk

Onderzoek zorg aan hulpbehoevenden Gemeenten willen graag dat hulpbehoevende burgers hun eigen netwerk inzetten. In de praktijk lukt dat bijna nooit, toont onderzoek aan.

Beeld van een ‘keukentafelgesprek’ uit een omstreden tv-spotje uit de campagne Nederland verandert, de zorg verandert mee, uit 2015. De Reclame Code Commissie had er kritiek op, waarna de spotjes niet meer werden uitgezonden.

Een moeder heeft hulp nodig bij het opvoeden van haar dochtertje, dat gedragsproblemen heeft. Moeder kampt met burn-out-klachten. De gemeente stelt voor een ‘meedenkbijeenkomst’ te beleggen, waar familie en kennissen van moeder oplossingen kunnen aandragen of hulp kunnen aanbieden. Want: de hulpbehoevende burger zelf is de eigenaar van zijn problemen en oplossingen zijn allereerst te vinden in het eigen netwerk. Op de bijeenkomst hoort de moeder haar zwagers zeggen dat ze „wat chaotisch” is, en of het handig is dat ze een nieuwe kat heeft genomen. „Je moet misschien soms betere keuzes maken”, stelt een ander. Aan het einde van de bijeenkomst staat de moeder strak van de spanning en heeft niemand hulp aangeboden.

Het ‘dicht bij de burger’ brengen van de zorg was hét ideaal van de decentralisatie in 2015, waarbij zorgtaken aan gemeenten werden overgedragen. Maar die nabijheid kent een prijs, zo wordt duidelijk uit een donderdag te verschijnen studie van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit voor Humanistiek. Vijf onderzoekers bestudeerden vier jaar lang hoe de zorg aan thuiswonende hulpbehoevenden vorm kreeg in Leeuwarden, Eindhoven, Zwolle, Amsterdam, Rotterdam en Sittard-Geleen. Een van hen is Evelien Tonkens, hoogleraar burgerschap aan de Universiteit van Humanistiek en oud-Tweede Kamerlid voor GroenLinks.

Zorg ‘dicht bij’ de burger werd in de aanloop naar 2015 gezien als een ‘wondermiddel’, schrijft u. Wat zou het moeten oplossen?

„Nabijheid zou onder meer leiden tot maatwerk, vertrouwdheid, voorkomen van problemen en lagere kosten. Echte argumenten voor die veronderstellingen hebben we niet kunnen vinden. Het enthousiasme laat zich vooral verklaren door wat nabijheid beloofde níét te zijn: géén afstandelijke bureaucratie, geen afstandelijke marktwerking, niet de klinische blik van de professional.”

De belofte van vertrouwdheid is ingelost, schrijft u.

„Medewerkers van het gemeentelijke wijkteam komen bij burgers thuis langs en dat ervaren beide partijen als prettig. Iemand van de gemeente komt naar de burger toe om in de eigen vertrouwde omgeving te vragen hoe het gaat. Als startpunt is dat een goed idee.”

En na dat startpunt?

„Een groot probleem is dat de wijkteammedewerkers geacht worden de zelfredzaamheid van de burger te bevorderen, opdat de hulpvraag aan de gemeente binnen de perken blijft. Die medewerkers worden daar ook op getraind: op het bevragen van de burger over zijn netwerk tijdens het bekende keukentafelgesprek. We hebben 66 van die gesprekken bijgewoond. Dat ging om burgers die van de gemeente bijvoorbeeld een traplift of schoonmaakhulp verlangden. In liefst 64 van die 66 gesprekken brachten wijkteammedewerkers het netwerk van de burger ter sprake. Daar zit een probleem. Want uit dat netwerk is weinig hulp te halen. De familie of de buren zijn al overbelast of er is ruzie met de familie. Of er ís helemaal geen netwerk.”

De familie of de buren zijn al overbelast of er is ruzie met de familie

Evelien Tonkens

Maar dan kan zo’n wijkteammedewerker er toch wel naar vragen? Of vindt u dat problematisch?

„Ja, want het gesprek gaat in grote mate over dat netwerk. En daarmee wordt het een gesprek over schaamte en schuld. Burgers krijgen het idee dat ze tekortschieten. Of dat ze aan familie of kennissen iets moeten vragen wat ze ongepast vinden. Uit een soort gehoorzaamheid doen ze het soms toch. Zoals die moeder met die lastige dochter die ja zei tegen die meedenkbijeenkomst. Haar zwagers denken: als je hulp wilt, heb ik ook nog wel een mening over je. Dat is vernederend voor die vrouw.”

Wijkteammedewerkers komen tijdens de gesprekken zelf ook vaak tot de conclusie dat er geen hulp van het netwerk te verwachten is. Sterker: medewerkers zagen dat burgers simpelweg hulp nodig hadden, waarop ze de hulpvraag van die burgers geregeld zó ombogen dat die gegarandeerd zou leiden tot professionele zorg. Dit gebeurde 27 van de 66 gesprekken. De onderzoekers noemen dit ‘stil verzet’ tegen de beleidsopdracht burgers meer eigen verantwoordelijkheid te geven.

Wijkteammedewerkers beseffen dat van het netwerk van hulpbehoevende burgers zelden extra hulp te verwachten is. Ze kunnen dan toch openlijk protesteren bij de beleidsmakers in het gemeentehuis?

„Dat gebeurt nauwelijks. Het ideaal van zelfredzaamheid is boven de discussie verheven: de verzorgingsstaat is nu eenmaal onhoudbaar en mensen willen steeds meer zelf doen, is het idee. Medewerkers die openlijk aan zelfredzaamheid twijfelen, lopen risico op een reprimande van hun bazen dat ze zich niet aan hun opdracht houden.”

Maar als wijkteamwerkers professionele hulp inschakelen, dan moeten ze dat toch rapporteren?

„Ja, maar op papier kan het woord zelfredzaamheid van alles betekenen. Dat je voor jezelf kunt zorgen, dat je je netwerk aanboort maar óók dat je in staat bent een hulpvraag aan een professional te formuleren. Dus zelfs als een wijkteam professionele hulp voor burgers regelt, dan kunnen ze dat op papier uitleggen als zelfredzaamheid.”

Iedereen blij dus. Het wijkteam helpt de burger en op papier neemt de zelfredzaamheid toe, dus de wethouder zorg is ook tevreden.

„Intussen blijft een publiek debat uit over de schade die de nadruk op zelfredzaamheid aanricht. Dat we als land de solidariteit van kwetsbare mensen proberen op te rekken. Want het zelfredzaamheidsverhaal is een beleidsverhaal dat niet strookt met de werkelijkheid.”

    • Ingmar Vriesema