‘Stuurtje’ op de Holland Acht: dirigent van de lange mannen

Diederik van Engelenburg Diederik van Engelenburg stuurt de Nederlandse mannen op de WK roeien in Bulgarije. „Hard trainen? Nee, ik wil niet te zwaar worden.”

Stuurman Diederik van Engelenburg (midden) tussen een aantal van zijn ploeggenoten van de Holland Acht. Foto Olivier Middendorp

Roeien? „Doe ik nooit”, zegt hij droogjes. Leuke sport, maar niet voor onderdeurtjes. Met zijn 1,68 meter en 53 kilo zou hij kansloos zijn in de wereld van grote mannen en lange halen.

Maar een roeivereniging hoort er een beetje bij in het studentenleven en zo werd hij in Delft in een balorige bui lid van een vereniging. Voor wedstrijden was hij niet in de wieg gelegd, kwam hij al snel achter. „Alleen met sturen kon ik in een wedstrijdboot.” En zo is Diederik van Engelenburg (23) ‘stuurtje’ geworden van de Holland Acht, als opvolger van routinier Peter Wiersum. Bondscoach Mark Emke vroeg hem vorig jaar of hij op de EK wilde sturen. Daarvoor won hij goud op de WK onder 23 jaar.

De Holland Acht, het vlaggenschip van het Nederlandse roeien, is drastisch vernieuwd. Van de equipe die in 2016 brons haalde op de Olympische Spelen van Rio, zijn twee roeiers overgebleven. De metamorfose verliep niet zonder succes: zilver bij de EK en brons bij de wereldbekerfinale in Luzern.

Eenling

Deze week doet Van Engelenburg mee aan zijn eerste WK, in Bulgarije. Het is een eenling, de stuurman van de Acht. Hij is de enige die vooruit kijkt en die in de wedstrijd een minimumgewicht moet hebben. „Voor mij is dat heel ontspannen. Bij het inwegen op wedstrijden moet je 55 kilo zijn. Om dat minimumgewicht te halen mag je ballast meenemen in de boot, bijvoorbeeld een zak zand. Als je er boven bent, heb je zinloos gewicht.” Aan noodzakelijke attributen heeft hij vierhonderd gram aan boord: zonnebril en Coxbox, de geavanceerde tempoteller.

Van Engelenburg wil zoveel mogelijk meedoen met de roeiers: fietstraining, spinnen. Niet met de gewichten. „Ik wil niet te zwaar worden.”

Tijdens internationale wedstrijden slaapt hij vaak alleen of deelt hij een kamer met een skiffeur, een roeier in een eenmansboot. Met acht roeiers in het hotel is het stuurtje ‘oneven’.

Diederik van Engelenburg, stuurman van de Holland Acht.

Foto Olivier Middendorp

Ploegleider

Hij ziet zichzelf een beetje als ploegleider, geeft informatie door over de positie van de boot, zorgt voor ritme en tempo. En moet en passant koers houden met een roer met het formaat van een postzegel, zegt hij. Het is de paradox van de stuurman, solist en dirigent tegelijk. Maar ondanks de veelheid aan functies, is er bij de stuurtjes soms het gevoel ondergewaardeerd te zijn. Hij zegt daar geen last van te hebben. „Je bent niet een van de roeiers. De coach naast de boot, de roeiers erin. Ik zit er tussenin. Maar ik voel me echt onderdeel van de ploeg. Je moet wel realistisch zijn; in de wedstrijd leg ik niet de prestatie neer. Ik heb mijn eigen prestatie. Als ik het goed doe, dan krijg ik waardering van de jongens. Dat is meer dan genoeg.”

Maar essentieel voor de prestatie van de boot? „Tijdens de wedstrijd heb je niet de fysieke input. De rol van een stuurman is als een racefiets. Twee fietsen maken niet het verschil tussen winnen en verliezen. Het verschil is een kwestie van smaak. Het gaat uiteindelijk om de jongens die erop zitten. Maar sommigen kunnen dat het beste met de ene fiets en andere met de andere fiets. Een goede stuurman is een goede fiets. Zonder een stuur kan de Acht niet roeien.”

Denker in een maakbare sport

Hij noemt zichzelf rustig en beschouwend, doet inmiddels in Amsterdam een master in stochastische en financiële wiskunde. Een denker in een maakbare sport; slagtempo, haallengte, snelheid, interval – de route naar de top voert in zijn sport ook langs rekenarij. De start op 46 tot 48 slagen per minuut, in het middengedeelte rond de 40, om op weg naar de finish het ritme weer op te voeren tot 44 of meer.

De Holland acht in training in Amstelveen. Links op de boot stuurman Diederik van Engelenburg.

Foto Olivier Middendorp

De kunst is om de tweeduizend meter van start naar finish zo goed mogelijk te beheersen. Een stuurfout kan seconden kosten. In een rechte lijn naar voren, dat is het ideaal. Maar er is zijwind die de boot van zo’n twintig meter uit balans kan halen, en er zijn drukverschillen aan beide kanten van de boot omdat roeiers één riem hebben. Zijn zicht is beperkt met al die grote mannen voor zich, de ‘slag’ als dichtste bij hem.

„Je hebt wel de ballenlijnen in het water die recht liggen, dan heb je de lijnen van de boot als referentie. Ik ben relatief stil in boot, zeker bij de start. Je hebt een heleboel stuurtjes die dingen roepen, ik niet. Op de eerste twintig halen heb je toch geen invloed. Dan zeg ik niets, is het stil.”

Positie van de boot

Rond de 250 meter doorbreekt hij meestal de stilte met een call, zoiets als „lengte maken” – het blad wat dieper het water in. In die fase zegt hij ook iets over de positie van de boot. Een halve lengte voor, een kwart lengte achter. „Daar probeer je iets motiverend te halen.”

Diederik van Engelenburg, stuurman van de Holland Acht.

Foto Olivier Middendorp

Na 750 meter zoekt de Acht een „verfrissing. „Als je een kilometer constant doorramt, dan ga je in je hoofd steeds langzamer.” Die oppepper bestaat dan uit een tempo-ophoog, van 39 naar veertig slagen per minuut.

Vanaf 1.500 meter komt de echte push, de eindsprint: bij elke twintig halen een stap erbij. En telkens zijn die voor een leek nauwelijks te volgen: ‘accept scherp voor’, ‘boot los’. „Ik geef feitelijke informatie. We liggen vijfde op een kwart lengte, we gaan een tempo omhoog om er een derde plek uit te halen. Maar ook minder gepolijst: ‘We gaan nu die Duitsers slopen’.”

De nieuwe Acht lijkt te breken met de Hollandse school: traag beginnen en losgaan in de laatste honderden meters. Er liggen nu internationaal veel meer boten dicht bij elkaar: Duitsland, Roemenië, de Verenigde Staten, Italië. „Als je nu achterligt bij de start, dan doe je niet meer mee. Als je wilt winnen in de Acht, dan moet je hard starten. Je kunt assertief racen.”

    • Harry Meijer