Fors meer burn-outs bij arts in opleiding door overwerk

Onderzoek van ‘De Jonge Specialist’

Hun opleiding moet sinds 2015 goedkoper, dus korter. En specialisten in opleiding werken nog altijd veel over. Dat heeft nare gevolgen.

Arts in opleiding op afdeling Obstetrie & Gynaecologie van UMCG in Groningen. Foto Kees van de Veen

De werkdruk voor jonge artsen is de afgelopen twee jaar fors hoger geworden. Een op de vijf artsen-in-opleiding kampt met ‘burn-outklachten’ zoals slapeloosheid en uitputting. Eenderde vindt dat ze altijd gehaast moet werken. In 2015 had 15 procent last van ‘burn-outklachten’. Dit blijkt uit arbeidsomstandighedenonderzoek van de belangenvereniging de Jonge Specialist. 958 jonge artsen, ziekenhuis-apothekers, klinisch chemici en fysici vulden de enquête in; ze zijn tussen 26 en 36 jaar oud, driekwart is vrouw. Ze werken op allerlei afdelingen in zowel algemene als academische ziekenhuizen.

Opleiding in minder dan zes jaar

Van de jonge artsen die uitvallen, wordt bij 70 procent geen vervanger ingezet waardoor de werkdruk ook oploopt. Een van de oorzaken is dat de specialistenopleiding sinds 2015 goedkoper en dus korter moet. Artsen mogen er niet meer zes jaar over doen, maar gemiddeld vijf jaar en 5 maanden. Dat vergroot de druk.

Volgens Vicky Soomers, bestuurslid van de Jonge Specialist en internist in opleiding in het Radboudumc, leidt de werkdruk tot burnout-klachten wat de kwaliteit van de zorg niet ten goede komt. De Jonge Specialist vindt dat ziekenhuizen en specialisten moeten meewerken aan verlaging van die werkdruk.

Aanleiding voor het onderzoek was de toename van het aantal meldingen sinds 2017 van leden van De Jonge Specialist bij het ‘AIOS Meldpunt’. De meeste meldingen gaan over dienstbelasting, roosters en uitval van aios.

85 procent van de jonge artsen kan na een werkdag niet meteen naar huis; na een avond- of nachtdienst zelfs 90 procent. 17 procent zegt dat hun rooster niet voldoet aan de arbeidstijdenwet – die voorschrijft dat artsen maximaal 46 of 48 uur per week werken – en eenderde weet niet of het rooster eraan voldoet. In een periode van 16 weken mag de arts gemiddeld hooguit 48 uur per week werken, volgens de wet. Die wet is in 2011 aangepast; daarvoor mocht men gemiddeld 52 uur per week werken. Overigens werken de respondenten nu gemiddeld acht uur per week over.

95 procent van de respondenten is trots op zijn vak. Wel vindt bijna de helft het lastig dat medische beslissingen die zij nemen achteraf, bij de overdracht, betwist worden door andere artsen of de supervisor. Zij voelen zich dan „niet gesteund”. Soomers: „Op zichzelf is discussie over beslissingen goed, dat bevordert de zorgkwaliteit. Maar je moet je wel gesteund voelen, wil je twijfel durven uitspreken. Je moet niet het gevoel hebben dat je achteraf ‘op je kop krijgt’.”

Vrees om te klagen

16 procent voelt zich wel eens seksueel geïntimideerd. Eenderde van die groep voelde zich geïntimideerd door een staflid, tweederde door patiënten of bezoek. Het lastige voor artsen in opleiding is, dat degene die ze opleidt mede beslist of ze in dat ziekenhuis een baan krijgen. Velen, zo blijkt, durven daarom niet tegen hun beoordelaar te zeggen dat ze uitgeput zijn of het werk tijdelijk niet aankunnen.

    • Frederiek Weeda