Waarom krijgen we maar geen genoeg van predators?

Sciencefiction Dertig jaar na ‘Predator’ zijn er vervolgfilms, spin-offs en computergames over het mysterieuze, op mensen jagende wezen. Dankt dit monster zijn populariteit aan zijn menselijke trekjes?

Mens en monster hebben meer met elkaar gemeen dan hun lief is in The Predator.

What the hell are you?”, vraagt Arnold Schwarzenegger in de climax van Predator (1987) aan het mysterieuze wezen dat hem en zijn huurlingen het leven zuur maakt in de jungle van Latijns-Amerika. Dat dit wezen buitenaards is („it ain’t no man”), begint slechts langzaam te dagen bij de commando’s die een geheime missie uitvoeren.

Een ‘predator’ is een roofdier dat zijn prooi doodt om deze op te eten, maar deze geavanceerde predator jaagt op mensen als sport. Zij worden vervolgens gevild en ondersteboven aan bomen gehangen.

Lees hier de recensie van ‘The Predator’

Ruim dertig jaar na Predator is de predator een populair monster geworden, dat opduikt in films (drie vervolgen en twee Alien versus Predator-spin-offs), speelgoed, strips en computergames. Waarom spreekt predator zo tot de verbeelding?

You’re one ugly motherfucker”, is de oneliner die Schwarzenegger uitspreekt als hij de ontmaskerde predator ziet. Een oneliner die in de derde vervolgfilm The Predator omgedraaid wordt. Evolutionair biologe Casey (Olivia Munn) omschrijft een gevangen genomen predator als „beautiful motherfucker”. Haar fascinatie voor het wezen wint het van afkeer. En daarmee spreekt zij voor ons allen. We kunnen maar geen genoeg krijgen van de predator.

Klassiek monster

Het gegeven dat hij deels menselijk is of lijkt, speelt daarbij een grote rol. Wezens die op ons lijken of die wij kunnen begrijpen zijn aansprekend. Zie klassieke monsters als Dracula, Frankenstein en King Kong. Recentere monsters zijn weliswaar gewelddadiger, zoals Michael Myers (Halloween) en Freddy Krueger (Nightmare on Elm Street), maar blijven herkenbaar menselijk. Zelfs de kwijlende alien uit de Alien-reeks, die in weinig op mensen lijkt, is begrijpelijk in zijn dierlijke instincten.

Die herkenbare kwaliteiten gelden ook voor de predator. Hij is slechts iets groter dan mensen en loopt op twee benen. Het opvallendst zijn de dreadlocks op zijn hoofd, dat achter een masker schuilgaat. Stan Winston, de man die de predator ontwierp, werd geïnspireerd door een afbeelding van een Rastafari-krijger. En het masker dat predator draagt, lijkt op tribale maskers uit Afrika.

Het uiterlijk van monsters moet iets iconisch bevatten, zoals de dreadlocks bij predator, de elektroden van Frankenstein en het uitdrukkingsloze masker van Michael Myers. Ook moet het monster niet te snel en niet te lang in beeld komen, waardoor het mysterieuze karakter behouden blijft. De les van Cat People (1942), het suggereren van dreiging door schaduwen, geldt ook voor Predator. Omdat hij zich als een kameleon camoufleert – zijn pantser weerspiegelt de natuurlijke omgeving (het oerwoud) – of zich zelfs helemaal onzichtbaar maakt, blijft hij in de eerste drie kwartier grotendeels onzichtbaar.

Mens wordt beest

De predator kan mensen detecteren door hun lichaamswarmte. Het eerste wat wij in de eerste film van de predator zien, zijn infraroodshots vanuit zijn gezichtspunt: een blauwe waas met geelgroenrode verschijningen erin, de mensen op wie hij jaagt. Dat op zich is al beangstigend: het monster ziet ons, maar wij zien het monster niet.

Aansprekende monsters appelleren aan allerlei angsten en fascinaties: voor wezens die intelligenter zijn dan wij, beschikken over superieure technologie, geen last hebben van moraal, geen duidelijke motivatie hebben voor hun wandaden en bovendien onvoorspelbaar zijn. Zo blijkt de predator geen mensen te doden die ongewapend zijn, want dan is de lol van de jacht eraf.

Dat de predator deels menselijk is, leidt uiteindelijk tot zijn ondergang. Als hij gewond raakt, bloedt hij een fluorescerend groene substantie, wat Schwarzenegger doet inzien: „If it bleeds, we can kill it.” Maar dat kan pas als Schwarzenegger zelf een beest wordt. Zoals Heracles zich kleedde in leeuwenhuid om de hellehond Cerberus te verslaan, camoufleert Schwarzenegger zich met modder en vervangt hij zijn moderne wapentuig door prehistorische wapens als speren en pijl-en-boog. De predator ontdoet zich eventjes van zijn pantser en vecht met blote vuisten tegen zijn tegenstander.

Bij uitstek een archaïsche manier om uit te maken wie de sterkste is en een geste die het wederzijdse respect en de gelijkwaardigheid tussen jager en prooi toont. Een geste die bovendien sympathie wekt voor het monster. Hij wordt menselijker, de mens monsterlijker. Pas als Schwarzenegger een oerkreet-brullende prehistorische krijger is geworden kan het monster verslagen worden, waarna de mens alsnog zijn vermeend superieure intelligentie kan vieren.

In The Predator slikt hoofdpersoon Quinn, ook al een huurling, de op een predator buitgemaakte onzichtbaarheidscontroller in. Net als Schwarzenegger wordt hij zo op een cruciaal moment het monster, met als verschil dat hij nu wel zijn kameraden nodig heeft om de predator te verslaan. In The Predator wordt gespeeld met de hedendaagse angst en fascinatie voor cybernetica en de vervagende grenzen tussen dier, mens, machine en monster. De predator en de nieuwe extra grote predator blijken menselijk DNA te bevatten. Het monster heeft meer met de mens gemeen dan ons lief is. En dat is even schrikken.

    • André Waardenburg