Co Westerik: oude meester die de wereld in zijn hoofd wilde vangen

Overleden Met traditionele technieken schilderde Co Westerik (1924-2018) de beelden die hem invielen. ‘Snijden aan gras I’ werd een moderne Nederlandse klassieker.

Co Westerik, Snijden aan gras 1, 1966 Olieverf en tempera op paneel, 60 x 75 cm. Collectie Stedelijk Museum, Amsterdam

Co Westerik, die maandag op 94-jarige leeftijd overleed, beleefde zijn eureka-moment in de lente van 1965. Het was een mooie ochtend en de schilder fietste door een bos bij Den Haag – schetsblok in zijn tas, potloden, gum, klaar om te tekenen. Op een gegeven moment legt hij zijn fiets in het gras en snijdt zomaar – wzzzzt – zijn vinger open aan een taaie, verse grashalm. „Ik zag het meteen”, vertelde Westerik later. „Het vlees, het gras. Het bloed in dat licht… het was als een donderslag. Verdómme, dacht ik, hier moet ik mee verder.”

Een jaar later maakte Westerik Snijden aan gras I: een schilderij waarop we zien hoe een dikke, monumentale vinger zich opensnijdt aan een tanige, dunne grasspriet. Het tafereel sprak meteen tot de verbeelding: de inkeping in het vel, de kleine, maar gapende wond, het bloed dat lijkt te wachten tot het overvloedig kan gaan stromen, de vraag of dit eigenlijk wel kón: Snijden aan gras I was zo’n zeldzaam schilderij dat afschuw oproept, maar waar je ook je ogen niet vanaf kunt houden.

Co Westerik thuis tussen zijn schilderijen in 1998. Foto Vincent Mentzel

Zo groeide het doek al snel uit tot een moderne Nederlandse klassieker, mede doordat de Nederlandse Spoorwegen, in het kader van het toenmalige ‘Openbaar Kunstbezit’, het schilderij in reproductie in een groot aantal treincoupés hingen waar het zich op het netvlies van zeker twee generaties Nederlanders brandde.

Los van tijdgeest

Precies die gelaagdheid, het doorgronden van het leven onder het oppervlak, is altijd belangrijk geweest voor Co Westerik – hij schilderde veel vlees én veel mensen in het water, dromerige doeken vol suggestie die af en toe ronduit ongemakkelijk werden. Dat hij daarmee in de jaren zeventig en tachtig een van Nederlands bekendste schilders zou worden, lag bepaald niet voor de hand. Westerik was altijd wars van zoiets als mode of ‘tijdgeest’.

Tijdens zijn studie, in de jaren veertig aan de Koninklijke Academie in Den Haag, raakte hij in de ban van oude meesters als Jan van Eyck en Piero della Francesca – hij was vooral gefascineerd door hun techniek, en hoe ze erin waren geslaagd hun doeken zo te vervaardigen dat die er na vijf eeuwen nog ‘als nieuw’ uitzagen. Zo ontdekte Westerik het klassieke techniekboek Malmaterial und seine Verwendung im Bilde (1921) van Max Dörner waar het allemaal in staat: hoe je verf maakt, wat het effect is van verschillende verflagen over elkaar, hoe je vernis gebruikt.

Co Westerik, Man in het water, vrouw in boot, 1959, Olieverf en tempera op doek, 118 x 150,5 cm,
Collectie Gemeentemuseum Den Haag
Co Westerik, Man in het water, vrouw in boot, 1959, Olieverf en tempera op doek, 118 x 150,5 cm,
Collectie Gemeentemuseum Den Haag

Het bijzondere aan Westerik was dat hij zich vervolgens niet liet verleiden om de oude meesters te imiteren, maar zijn eigen weg zocht: hij wist altijd zeker dat hij zijn eigen beelden wilde maken, wilde schilderen wat er in zijn hoofd omging. Daarbij baseerde hij zich voor elk schilderij steevast op een zogenaamde ‘ideeschets’: een kleine potloodtekening van een beeld, een voorval, een gebeurtenis die hem zomaar, als bij toverslag was ingevallen – die beelden wilde hij najagen, vangen in verf.

Daarvoor projecteerde hij zo’n ideeschets eerst op het doek om hem daarna minutieus na te tekenen en te schilderen, laag over laag, een tikje wolkig vaak, om zo de juiste intensiteit te bereiken van voorstelling en kleur. Daarmee wilde hij het oorspronkelijke idee in zijn hoofd zo dicht mogelijk benaderen, al wist hij ook dat hem dat nooit zou lukken.

Westeriks werkproces was zo intensief en tijdrovend dat hij zelden meer dan drie à vier doeken per jaar maakte – tijdens het werken hield hij een ‘logboek’ bij waarin hij precies beschreef wat hij elke dag had gedaan. Westerik was een oude meester die de wereld in zijn hoofd in verf wilde vangen.

Co Westerik, Grammofoonspeler, 1971, Olieverf en tempera op doek, 111 x 145,5 cm. Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam

Lees ook: Museum Boijmans Van Beuningen vierde in 2014 de 90ste verjaardag van Westerik met een tentoonstelling

Nederlandse klassieker

Doordat hem zo’n lang leven was gegund en hij uiteindelijk bijna zeventig (!) jaar werkte, heeft Co Westerik alle fases van een groot kunstenaarschap meegemaakt – wat hem niet altijd makkelijk moet zijn gevallen. Aan het begin van de jaren vijftig gold hij een tijd als jong en controversieel; dat hij in 1951 met zijn ‘lompe’ De Visvrouw de Jacob Marisprijs won, leidde tot een rel in schilderland. Vanaf Snijden aan gras was Westerik definitief beroemd, vanaf de jaren tachtig was hij een Nederlandse klassieker, die onder andere tentoonstellingen had in de Staatliche Kunsthalle in Berlijn, het Gemeentemuseum in Den Haag en het Stedelijk Museum in Amsterdam. De laatste jaren werd het stiller rond hem, de tijdgeest moest even minder hebben van zijn lagen en zijn fantasie en zijn techniek, maar dat betekende niet dat Westerik niet doorschilderde – rustig en geconcentreerd, hij kon niet anders, en hij wilde ook niet veel meer.

Westerik was er ongetwijfeld van overtuigd dat zijn ideeën, de beelden in zijn hoofd en zijn techniek de modes makkelijk moesten kunnen doorstaan, net zoals dat met zijn grote voorbeelden is gebeurd – en daar gaat hij ongetwijfeld gelijk in krijgen.

Interview met Co Westerik in 2013 door CBK Rotterdam.

    • Hans den Hartog Jager