Opinie

    • Lotfi El Hamidi

2.142 narcissen in Vught

In het Reeburgpark in Vught heerst een serene rust. De zon laat zich geregeld zien. Een pasgetrouwd stel laat er foto’s maken. Natuurlijk, het leven moet worden gevierd, ook in Vught. Op hetzelfde moment vertrekken zo’n vijftig mensen, van wie vijftien schoolkinderen, in een stille tocht vanaf het raadhuis aan de rand van het park naar het Sachsenhausen-monument. Twee tamboers trommelen de stoet richting de granieten steen midden in het park, waar straks de herdenkingsbijeenkomst wordt gehouden.

Begin september 1944. Nadat de grote steden in België zijn bevrijd, breekt er in Nederland onder de Duitsers en NSB’ers paniek uit: de geallieerden zouden de Nederlandse grens zijn overgestoken. Maar zelfs in die wanorde, die als Dolle Dinsdag bekend is komen te staan, gingen de deportaties door. In de nacht van 5 op 6 september werden 3.000 gevangenen vanuit kamp Vught op de trein gezet naar het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen. Het was het laatste transport vanuit het in allerijl ontruimde kamp. Ruim de helft zou niet levend terugkeren.

De rode driehoek met de letter ‘H’ op de ronde gedenksteen geeft aan dat het om (vooral politieke) gevangenen uit Nederland ging. Geen Nederlandse Joden: het laatste Jodentransport uit Vught vertrok twee maanden ervoor naar Auschwitz.

Ik behoor wellicht tot de laatste generatie die het woord moffen nog ‘actief’ meekreeg. Dat is nu in onbruik geraakt, en terecht, al lag het woord vorige week op het puntje van m’n tong toen ik de beelden van diagonaal gestrekte armen in Chemnitz zag.

Nu de echo’s van dat verleden steeds duidelijker waarneembaar worden, is het de vraag of we de ernst ervan serieus genoeg nemen. Nee, de gaskamers komen niet terug, maar is dat het moment waarop we wachten totdat we de alarmbellen laten afgaan?

Hans Blom, voormalig directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, spreekt de aanwezigen toe. Niet als historicus, zegt hij, maar als „betrokken staatsburger” die zich zorgen maakt. „De geschiedenis attendeert ons erop dat er bepaalde waarden zijn die als normen dienen te fungeren. De gelijkwaardigheid van alle mensen, om het allereenvoudigste te noemen.” Blom waarschuwt om die waarden niet uit het oog te verliezen, daar „het punt waar de normen worden aangetast in het verleden vaak niet zo helder was, maar pas in analyses achteraf”.

Het is twee minuten stil. Kransen worden gelegd. Een kleine groep loopt terug naar het raadhuis. Daar wordt een gedenkplaat onthuld voor de narcissentuin, waar vorig jaar in de vorm van een hart 2.142 narcissen werden geplant: één voor elk vanuit Vught gedeporteerd Joods kind. Ze staan ook symbool voor alle kinderen die zich vandaag de dag in mensonwaardige omstandigheden bevinden, lees ik. Ik moet denken aan de kinderen die nu schuilen voor de bommen in Idlib, Syrië.

Lotfi El Hamidi schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

    • Lotfi El Hamidi