‘Precieze’ luchtoorlog tegen IS eiste toch veel burgerslachtoffers

De Nederlandse strijd tegen IS Het is de ‘zorgvuldigste luchtoorlog aller tijden’, volgens de coalitie. Maar de strijd tegen IS heeft veel burgerslachtoffers gemaakt, zeggen ngo’s. Wie heeft er gelijk?

De grote zaal van het opperbevel in Doha, Qatar. Hier worden bombardementen van de coalitie van IS-doelen in Irak en Syrië op videoschermen live gevolgd. Foto Joshua Strang/U.S. Air Force

Immense schermen vullen de wanden van de zaal van de Amerikaanse luchtmachtbasis Al-Udeid in Doha, Qatar. Op sommige is een luchtaanval op een IS-doel te volgen via de camera van een drone. Op andere wordt het luchtruim boven Irak en Syrië afgebeeld.

Vele stipjes vullen het luchtruim. De gele, vooral te zien boven West-Syrië, duiden Russische vliegtuigen aan. De – veel sporadischer – blauwe stipjes staan voor toestellen uit de burgerluchtvaart. De groene – vele tientallen – zijn de vliegtuigen van de coalitie, zoals de Verenigde Staten, Australië, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Jordanië en Nederland.

Hier, in het Combined Air Operations Center (CAOC) te Qatar, wordt volgens de coalitie de zorgvuldigste luchtoorlog aller tijden uitgevoerd, een claim die door ngo’s als Amnesty wordt betwist. „Nog nooit eerder in de geschiedenis is een luchtoorlog zo precies uitgevoerd in het behouden van burgerlevens en burgerinfrastructuur”, zei coalitiewoordvoerder Stephen Warren in de recente Deense documentaire Bombs Awry.

Sinds het begin van de luchtoorlog in september 2014 en meer dan 110.000 bommen op Irak en Syrië verder, zijn er door de coalitie ongeveer 1.000 burgerdoden geteld. Nederlandse F-16’s maakten hooguit in vier gevallen burgerslachtoffers, aldus het Openbaar Ministerie in april. Details en definitieve aantallen doden gaf het niet. Een gerechtelijke procedure van RTL Nieuws om die alsnog te krijgen strandde – ook in april – bij de Raad van State.

De uitspraak van Warren en de lage getallen van de coalitie en Nederland staan in schril contrast met de verslagen van journalisten en ngo’s zoals Airwars en Amnesty International. Op basis van ooggetuigenverslagen en meldingen van lokale media schatten zij het aantal burgerdoden op tenminste 6.500, meer dan zes keer zo veel dus als de coalitie.

Hoe is het enorme verschil in de schattingen te verklaren?

Deels door de procedures die beide kampen hanteren. De coalitie maakt een schatting van burgerslachtoffers vanuit de lucht, de ngo’s baseren zich juist op rapportages vanaf de grond. Daarnaast kampt het onderzoek van de coalitie naar mogelijke burgerslachtoffers met een grote achterstand. Een team van twee à drie militairen onderzoekt een snel groeiende hoeveelheid claims van burgerdoden. Minstens vijfhonderd van die claims zijn nog niet onderzocht.

Red card holder

Ook Nederland spreekt, net als coalitie-woordvoerder Warren, van „zorgvuldige oorlogsvoering”. Maar wat betekent dat in de praktijk? NRC vroeg het aan de zogeheten red card holder, en aan organisaties die kritisch zijn op Defensie, zoals Airwars. De red card holder, zelf ook gevechtsvlieger, houdt in de grote zaal van Qatar toezicht op de naleving van de Nederlandse rules of engagement. Dit zijn spelregels voor de oorlog, onder meer opgesteld om burgerslachtoffers zo veel mogelijk te voorkomen. De regels worden uit veiligheidsoverwegingen niet gepubliceerd

Lees ook het vragenstuk over de Nederlandse bijdrage aan de luchtoorlog tegen IS

Commandant Michael (hij wil niet met zijn achternaam in de krant om zijn veiligheid te beschermen) was zo’n red card holder toen de missie vier jaar geleden begon. Hij zegt dat de genoemde zorgvuldigheid zit in de ruimte die de landen van het Amerikaanse opperbevel kregen om hun eigen rules of engagement uit te voeren. „We hebben goed en met begrip voor elkaars positie samengewerkt met de Amerikanen.”

Er waren volgens hem beduidend minder politieke strubbelingen in de coalitie dan bij de Kosovo-oorlog (1999) of de ‘wederopbouw- annex vechtmissie’ in Uruzgan en Afghanistan (2002-2010). Michael en zijn mede-red-card-holders hebben de afgelopen jaren in Qatar dan ook „nauwelijks” de rode kaart hoeven te trekken waarbij Nederland medewerking aan bombardementen weigerde omdat er burgerslachtoffers dreigden.

Ten tweede verkleint volgens Michael de „zorgvuldige planning vooraf” in Qatar de risico’s. Inlichtingen die leiden tot doelselectie, worden zo goed mogelijk gecheckt. Bezwaren tegen bepaalde doelen, bijvoorbeeld omdat ze in een woonwijk liggen, worden al in een vroeg stadium ingecalculeerd, zegt de officier. Daardoor hoeven hij en zijn collega’s in een later stadium zelden of nooit op te treden en de rode kaart te trekken.

Dat geldt niet alleen bij het tegengaan van burgerslachtoffers, maar ook voor andere belangrijke schade zoals aan het milieu. Daarom werden olieraffinaderijen van het kalifaat in Irak, een belangrijke bron van inkomsten voor IS, niet getroffen door Nederlandse F-16’s. Wel namen zij de aan- en afvoerlijnen van de raffinaderijen onder vuur. Ook was het verboden om gebouwen ouder dan tweehonderd jaar te bombarderen, aldus Michael.

Moderne technologie

Nederland hanteert strengere regels dan een aantal andere landen uit de coalitie, zegt Michael, al wil hij niet zeggen welke landen dat zijn. Zo is er een verschil in benadering tussen coalitiegenoten wanneer IS-strijders mogen worden ‘uitgenomen’, oftewel gebombardeerd. Nederland doet dat volgens Defensie alleen als de F-16- piloot IS’ers ontwaart die gevechtshandelingen aan het voorbereiden en uitvoeren zijn: het laden van een snelvuurkanon op een pick-uptruck, met bommen rondsjouwen in de buurt van een bommenfabriek of Irakese legereenheden beschieten. „Andere landen” , zegt Michael, bombarderen ook IS-ers die met een zwarte vlag zwaaien op hun pick-up. Daar kunnen gemakkelijk gevangen burgers bij zitten die als schild tegen de bombardementen worden gebruikt.

Ten slotte drukt de moderne bommentechnologie het aantal slachtoffers, aldus de commandant. Het gaat daarbij zowel om het geleiden naar het doel als het beperken van de explosieve kracht van bommen in woonwijken. Na de Vietnamoorlog is de smart bomb-technologie vooral ontwikkeld om piloten te helpen. Vergrote precisie verlaagt het aantal keren dat vliegers op hun doel af moeten. Daardoor verkleint de kans dat zij geraakt worden door vijandelijk afweergeschut.

Ngo’s Airwars en Amnesty schatten het aantal burgerdoden op 6.500 – zes keer zo veel als de coalitie

De bommen – vaak raketten, als ze eigen aandrijving hebben – worden naar hun doel geleid, of er op het laatste moment vanaf geleid als er onverwacht burgers in de buurt zijn. De geleiding gebeurt via gps, lasertechnologie en met de joystick in de F-16, waar de vlieger via een camera in de kop van de bom kan meekijken.

Als voorbeeld noemt Michael een situatie in Irak in 2015. Nederlandse F-16’s zouden een belangrijk kruispunt bombarderen waar IS’ers dagelijks willekeurig voorbijgangers executeerden. Door plotselinge drukte op het kruispunt liet de piloot de bom echter op het laatste moment afzwaaien naar een veldje zonder passanten. Beide doelwitten waren ingeprogrammeerd. Later werd het kruispunt overigens alsnog gebombardeerd door een F-16.

De camera-beelden van deze afgeblazen missie, gebruikt Defensie in persconferenties en bij andere pr-gelegenheden. Toenmalig minister Jeanine Hennis (VVD) toonde de beelden bijvoorbeeld in Dreamschool (vanaf minuut 49:00), een tv-programma met moeilijk opvoedbare leerlingen. Een van de leerlingen, Ibrahim, die Nederland verweet „scholen en ziekenhuizen te bombarderen en onschuldige mensen die thuis lagen te slapen”, werd er door de minister mee geconfronteerd. Niet dat het Ibrahim overtuigde. „Ik zie andere filmpjes waarbij kinderen onder het puin vandaan worden gehaald”, zei de scholier na het zien van de beelden.

Vraagtekens bij voordeel smart bombs

Hoe beoordelen buitenstaanders de door Michael geschetste procedure? NRC vroeg het historicus Christ Klep en onderzoeker van onderzoeksorganisatie Airwars Koen Kluessien. De laatste zegt: „Wij zijn ervan overtuigd dat de landen die in Irak en Syrië aan het bombarderen zijn, volgens het internationale militaire recht handelen. Zoveel vertrouwen heb ik wel in Defensie.”

Hij zet twee kanttekeningen. Ten eerste weet Kluessien niet of de „zorgvuldige” procedures in de praktijk ook zorgvuldig zijn uitgevoerd. „Defensie blijft intransparant in de verantwoording daarover.” Ook zet Kluessien vraagtekens bij het door Defensie geclaimde voordeel van de smart bombs – de beperking van het aantal burgerslachtoffers. „Hun voordeel”, zegt Kluessien, „valt grotendeels weg als je heel veel van die smart bombs afwerpt. Dat gebeurde bij de herovering van steden als Raqqa en Mosul op grote schaal.”

Een explosie na een luchtaanval op de Syrische grensstad Kobani in oktober 2014. Foto Erdem Sahin/AP

De zwaktes van de procedure rond bombardementen, zo blijkt uit de analyse van Klep en Kluessien, zitten helemaal aan het begin, voorafgaand aan de planning in Qatar, en het eind, nadat de bommen gegooid zijn. Beide zwaktes verklaren waarom het aantal burgerslachtoffers zeer waarschijnlijk stukken hoger is dan de geschatte duizend van de coalitie.

Het begint met de kwaliteit van de inlichtingen die moeten leiden tot het bepalen van een doelwit. „Die is lang niet altijd even goed”, zegt historicus Klep. „Dat geldt voor veel luchtoorlogen, zeker als je niemand op de grond hebt om de juistheid van de informatie te checken. Het geldt zeker voor luchtoorlogen die haastig zijn begonnen, zoals deze.”

Ter illustratie van de noodzaak van goede inlichtingen verwijst Airwars- onderzoeker Kluessien naar een uitgebreide reconstructie die The New York Times vorig jaar maakte. De Amerikaanse krant onderzocht de toedracht rond een bombardement in september 2015, van twee villa’s van een welgestelde familie aan de rand van Mosul. Daarbij kwamen vier familieleden om. Op de dag van de aanval uploadde het Amerikaanse leger op YouTube een videoregistratie van de aanval op de villa’s. Die vormden volgens het leger een IS-fabriek waar autobommen werden geproduceerd.

Nederland bombardeert alleen IS’ers in gevecht of in voorbereiding daarop. Voor andere landen is ook een IS’er met een vlag doelwit

Anderhalf jaar later gaf het Amerikaanse leger, na druk van de familie en onderzoek van The New York Times, toe dat er sprake was geweest van een gruwelijke fout. De documentatie die het leger vrijgaf, wekte de indruk dat er gebruik was gemaakt van verouderde inlichtingen. Ze repten van het bestaan van een, inmiddels verlaten, hoofdkwartier van IS aan de overkant van de straat.

Bij de vier Nederlandse gevallen die in april werden gerapporteerd, was in minstens één geval verkeerd inlichtingenwerk de oorzaak. Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) schreef op 13 april van dit jaar aan de Tweede Kamer, dat „een vermeend hoofdkwartier van IS, achteraf een woonhuis bleek te zijn. Nadien is vastgesteld dat de coalitie-inlichtingen die hebben geleid tot het identificeren van het doel, onjuist waren.” Bij de andere drie gevallen was de explosie in het gebouw groter dan van te voren was ingeschat, passeerde onverwacht een burger, en was de ‘targeting pod’ van de F-16 – het instrument waarmee het doel wordt ingeprogrammeerd – verkeerd afgesteld.

Groot beslag op inlichtingendienst

Bronnen die NRC sprak, wijzen op het grote beslag dat de Nederlandse missie in Mali op beschikbare inlichtingencapaciteit legt. Mede daardoor was er maar weinig Nederlandse inlichtingencapaciteit in Irak en Syrië. De afhankelijkheid van inlichtingen van coalitiepartners wordt dan groter, de mogelijkheid om zelf de kwaliteit van die bronnen te kunnen checken juist kleiner.

Ook aan het einde van de procedure ziet Kluessien van Airwars problemen. Landen als de VS en Nederland proberen de schattingen te doen vanuit de lucht; Nederlandse F-16’s beschikken over camera’s die tot twee kilometer hoogte op de grond kunnen kijken. „Maar je kunt daarmee niet door puin heen kijken”, zegt Kluessien van Airwars. Daaronder kunnen gemakkelijk dode families liggen.

Ngo’s proberen juist wel op de grond onderzoek te doen, met hulp van journalisten, activisten en nabestaanden. „Ook die kunnen er wel eens naast zitten” erkent Kluessien. „Als dat zo is, stellen we onze schattingen meteen bij. Mede daarom zouden wij er voor zijn als de coalitie veel actiever onderzoek op de grond zou doen naar mogelijke burgerslachtoffers.”

Is de luchtoorlog tegen IS de zorgvuldigste ooit? Vaststaat dat de voortschrijdende (bom)techniek en de relatief grote eensgezindheid van de coalitie het gemakkelijker maakte om burgerslachtoffers te voorkomen. Nederland opereerde naar eigen zeggen met strengere richtlijnen dan sommige andere leden. Anderzijds zorgden inlichtingenfouten – ook door Nederland – voor verkeerde doelselecties en veel burgerdoden. Ook veroorzaakte de massaliteit van de bombardementen op steden als Mosul en Raqqa vermoedelijk aanzienlijk leed. Een ‘precieze’ meting van het aantal burgerslachtoffers door de coalitie ontbreekt.

Correctie 10-09-2018: In een eerdere versie van dit artikel werd gesproken van luitenant-overste Michael. Dat moet zijn: commandant.
Correctie 10-09-2018: In een eerdere versie van dit artikel werd gesproken over de Kosovo-oorlog van 1994. De bombardementen door de NAVO vonden plaats in 1999.

    • Kees Versteegh