Profiel

Maandagprofiel Bob Woodward

Bob Woodward: net zo machtig als een grand jury

Bob Woodward staat al sinds het Watergate-schandaal aan de top van de Amerikaanse journalistiek. Maar hoe betrouwbaar zijn zijn boeken? Dinsdag komt Fear uit, over Donald Trump.

Dit vertelt Bob Woodward (75) over de oorsprong van zijn journalistieke belangstelling. Als scholier maakte hij het advocatenkantoor van zijn vader schoon. Hij stofte bureaus af, leegde prullenbakken en snuffelde intussen door de dossiers. Zo las hij de geheimen van de burgers van Wheaton, Illinois. Belastingontduiking, echtscheidingen, de leraar die een leerling het hof maakte. „Voor het eerst dat ik de zuiverheid van een bandopname als bewijs zag”, aldus Woodward. Zijn conclusie: „Iedereen heeft geheimen.”

In 1972 werkte de 29-jarige Woodward pas negen maanden als verslaggever bij The Washington Post toen hij begon te onderzoeken welke geheimen schuilgingen achter een inbraak bij de Democratische Partij in het Watergate-gebouw. Tot zijn chagrijn werd hij gekoppeld aan de jongere Carl Bernstein, tegenpool van de Republikein Woodward: een linkse jongen met hippiehaar en een reputatie als luilak. Maar een briljant schrijver, in tegenstelling tot Woodward. Een van diens eerste eindredacteuren, Andrew Barnes, zegt in Life in the Shadow of Watergate (2006) over de ijverige stagiair: „Hij verzamelde alle feiten, maar raakte de draad van het verhaal kwijt, het werd altijd saai.”

Twee jaar lang kon president Nixon de sabotagepraktijken tegen zijn rivalen geheimhouden, in augustus 1974 moest hij aftreden. De journalisten die het onderzoek gaande hadden gehouden waren op slag wereldberoemd. Een inspiratie voor generaties journalisten. Niet alleen door de ongehoorde consequenties van de affaire, ook door hun boek All the President’s Men. Zij verhieven een taai onderzoek naar de financiering van politieke sabotage tot thriller en speelden zelf de hoofdrol in een adembenemend gevecht tegen de machtigste mensen op aarde.

Bestsellers

Ruim vier decennia later staat Woodward nog altijd aan de top van zijn professie. Hij schreef een reeks boeken, veel daarvan bestsellers. Het zou verbazen als dat niet ook gebeurt met het boek dat dinsdag verschijnt, Fear, over Donald Trump. Fragmenten die vorige week werden gepubliceerd waren voer voor alle media.

Lees ook: Boek Woodward over Trump: ‘We’re in Crazytown’

Terwijl Bernstein na ‘Watergate’ zijn roem verzilverde in het societyleven van Washington en nog zelden schreef, bleef Woodward aan The Washington Post verbonden. Elke president kon erop rekenen dat hij de binnenkamers van zijn regering zou doorzoeken. Bill Clinton werd in twee boeken doorgelicht. Over George W. Bush schreef Woodward er vier, over de oorlogen die hij na ‘9/11’ ontketende. Zo tekende Woodward de fameuze zin op waarmee CIA-directeur Tenet eind 2002 Bush overhaalde Irak aan te vallen. De in feite magere bewijzen voor massavernietigingswapens in Irak kwalificeerde Tenet als een „slam dunk case”, een uitgemaakte zaak.

Twee zaken onderscheiden deze boeken van All the President’s Men. Ze zijn geschreven met het perspectief van een alwetende verteller, die scènes reconstrueert alsof hij er zelf bij was. En ze werden met steeds luidere kritiek ontvangen.

In The New Yorker fileerde Renata Adler The Brethren (1979), over het Supreme Court. Adler beschimpt de vaagheid waarmee Woodward en co-auteur Scott Armstrong hun anonieme bronnen presenteren: „Interviews met meer dan 200 mensen, onder wie verschillende rechters.” Het is al bar dat ze hun bronnen niet bij naam noemen, aldus Adler („Daarmee ontzeggen ze ons een essentieel element van elk onderzoeksverhaal: wie wilde dat dit bekend werd?”), maar het is potsierlijk om niet eens ronduit te zeggen hoevéél mensen je hebt gesproken: „201? 299?”

De kritiek culmineerde in een essay van Joan Didion uit 1996, onder de kop ‘Political pornography’. Zij bekritiseert Woodwards gewoonte de eindeloze gesprekken die hij voert in extenso weer te geven. Het resulteert volgens haar in boeken waarin „waarneembare hersenactiviteit ontbreekt”. Woodward schrijft simpelweg op wat zijn bronnen vertellen. We komen niet te weten wat zich feitelijk voltrok, maar wat de bronnen ervan maken. Omdat de bronnen anoniem zijn, kan de lezer de waarachtigheid niet inschatten. Bovendien verzuimt Woodward, aldus Didion, scènes die hij op gezag van zijn bronnen reconstrueert te toetsen aan „eigen redenering en aanwijzingen uit de context van de realiteit”. De reconstructies gaan volgens haar alleen over de mensen die erin voorkomen en hun motieven. Ze spelen zich af „in Nergensland”.

Lees ook: De ergste president van de VS is Nixon. Of toch Trump?

Een voorbeeldje uit State of Denial (2006), over de pogingen van de regering-Bush om orde te scheppen in naoorlogs Irak: de aanjager van de oorlog was de veronderstelde steun van Irak aan islamitische terroristen, een van de gevolgen van het Amerikaanse beleid in Bagdad was de opbloei van de radicale islam die uiteindelijk tot IS en het kalifaat zou leiden. In het register staat het trefwoord ‘Islam, radical’, met daarachter welgeteld drie bladzijden. De Reagan Building in Washington krijgt er vijf, omdat Bush daar zijn overwinningsfeest houdt als hij in 2004 wordt herkozen en Woodward van minuut tot minuut verslag doet van de uitslagenavond.

In de kritiek van Didion ligt het verschil tussen Woodward en een ander journalistiek icoon, Seymour Hersh. Hersh, zes jaar ouder en een rivaal – maar ook een oude tennisvriend – onthulde in 1969 het bloedbad van My Lai, in 2004 de mishandeling van terrorismeverdachten in de Abu Ghraib-gevangenis. Hij zegt aan de telefoon: „Ik ben zeer politiek, hij niet. En waarom zou Woodward de feiten ook in een politieke context zetten? Lezers lezen liever over Trump zelf dan over de betekenis van zijn beleid.”

Vrijspraak

Didions kritiek ligt in het verlengde van die van Barnes in 1971: veel feiten, kop noch staart. Dat zou droevig, maar onschadelijk zijn als Woodward niet een machtspositie had verworven. Zoals de ombudsman van The Washington Post schreef na een klacht over Woodward: „Zijn handtekening boven een stuk weegt even zwaar als de aanklacht van een grand jury.”

Het omgekeerde geldt ook: géén aanklacht van Woodward betekent vrijspraak. De journalist is insider geworden. Dat hij al decennia als geen ander ingang vindt in het Witte Huis, komt volgens critici doordat zijn bronnen weten dat hij – anoniem – hun belang zal dienen.

Aanleiding voor Didions artikel was The Choice uit 1996, over de herverkiezing van Bill Clinton. Toen was al twee jaar een onderzoek gaande naar een schimmige onroerend goed-zaak waarbij de Clintons betrokken zouden zijn geweest. In het boek citeert Woodward vicepresident Gore die de zaak afdoet als „klein en oneerlijk”. Op tv werd Woodward gevraagd waarom hij niet over deze affaire had geschreven. Ik weet er niks van, zei hij. „Ik wacht op iemand van binnenuit die me belt en zegt: Ik wil praten.”

Fear belooft kritischer te worden dan de boeken over Bush. Heeft Woodward zijn scherpte hervonden? Heeft hij de draad te pakken naar geheimen van Trump? Of heeft hij de mensen gesproken die van Trump af willen, en dat zijn er veel in Washington en in het establishment van de Republikeinse partij.

Passages uit Fear kwamen opvallend overeen met een brief die een paar dagen later werd gepubliceerd door The New York Times. Een hoge functionaris uit het Witte Huis schreef anoniem dat hij met Republikeinse geestverwanten de rampzalige gevolgen van Trumps grillen probeert te verhoeden. Heeft Woodward zich tot spreekbuis gemaakt voor een conservatieve anti-Trumpfactie? En zo ja, geeft hij zich daar rekenschap van in Fear? „Doe hem niet tekort”, zegt Seymour Hersh. „Hij heeft een verhaal.” Vanaf dinsdag kunnen we het lezen.

    • Bas Blokker
    • Jutta Chorus