Jeroen Rauwerdink warmt zich op voor de training met de nationale ploeg.

Foto Piroschka van de Wouw/ANP

Domweg gelukkig als subtopper

WK volleybal

Na een zichzelf opgelegde zomerpauze keert Jeroen Rauwerdink (donderdag 33) terug in het Nederlands team, voor zijn eerste WK.

Of hij de Ron Zwerver van zijn generatie is? Jeroen Rauwerdink protesteert tot in al zijn vezels. „Nee, absoluut niet”, is zijn korte, krachtige repliek. Hij is een voortreffelijke volleyballer, anders speel je niet meer dan 300 interlands, maar prijzen heeft hij amper gewonnen, en al helemaal geen gouden olympische medaille, die Zwerver in 1996 bij de Spelen van Atlanta kreeg omgehangen.

Zwerver en Rauwerdink zijn beiden spelers die de bal naar de spelverdeler plaatsen en vervolgens worden geacht die bal tegen de vloer te rammen – de zogeheten passer-loper – maar daarmee houdt elke vergelijking op. „Zwerver was in zijn tijd de beste ter wereld”, is Rauwerdink uitermate complimenteus. Nee, van dat niveau is hij pertinent niet, al is hij met het oog op het komende WK in Bulgarije en Italië als een Redder des Vaderlands onverwacht teruggekeerd bij het Nederlands team. Als vervanger van Robbert Andringa, die met een gebroken middenvoetsbeentje in het gips belandde.

Rauwerdink is al veertien jaar een vaste, betrouwbare kracht in de nationale ploeg, maar geen speler die Nederland internationaal naar de wereldtop slaat. Een technisch begaafde allround-volleyballer, die nergens in uitblinkt, dat is zijn kenmerk. Dat hij in de sterke Italiaanse competitie zeven jaar heeft standgehouden, vindt Rauwerdink een bovengemiddelde prestatie. Want in Italië is hij ook tegen zijn grenzen aangelopen.

Niet de puntenmachine

Met de nodige zelfkennis: „Ik weet nu dat ik geen topspeler ben. Toppers springen net iets hoger, slaan net iets harder en passen net iets beter. Mijn kracht is de pass, maar ik ben niet de puntenmachine van het team. Naar internationale maatstaven ben ik een subtopper. En daar heb ik vrede mee. In Italië heb ik wel finales gespeeld, maar nooit een prijs gewonnen, dat zegt genoeg. Desondanks overheerst de trots. Van mijn lichting kunnen weinig jongens zeggen dat ze zeven jaar in de Italiaanse subtop hebben gespeeld.”

Na Italië, plus nog eens twee jaar bij het Turkse Ankara en één jaar Olympiakos Piraeus in Griekenland, was privé de rek eruit. Tweeënhalf jaar lang tussen september en mei gescheiden levend van zijn vrouw en twee kinderen was te veel. Vooral thuis in Zeist werd de situatie onhoudbaar. En dus besloot Rauwerdink voor het eerst in zijn volleybalbestaan aan zichzelf te denken en niet rechtstreeks na het clubseizoen door te gaan naar het nationale team, maar een zomer rust te nemen, ook al betekende dat het missen van een WK, dat hij nog nooit gespeeld heeft.

Rauwerdink had geen keus, vond hij. Met gebroken stem: „Breekpunt was het moment dat mijn zoon van zes tegen mij zei: ‘Het lijkt wel of ik af en toe geen papa heb.’ Dat kwam hard binnen. Zoon en dochter (4) gingen ook slechter slapen en hun lontje werd steeds korter. Mijn vrouw was er begin dit jaar even helemaal klaar mee, alleen met twee kids, en ik in het buitenland. Ik mijn passie volgen, terwijl anderen eronder lijden. Dat was niet meer te doen. De balans was volledig zoek.”

De rentree van Rauwerdink in het Nederlands team, dat woensdag in het Bulgaarse Ruse zijn openingswedstrijd tegen Canada speelt, is het gevolg van een afspraak met bondscoach Gido Vermeulen, dat hij bij calamiteiten oproepbaar zou zijn. En de blessure van Andringa is zo’n noodgeval. „Nee, het is geen opoffering”, zegt de teruggekeerde speler met een glimlach. „Anders had ik me bij Olympiakos Piraeus moeten melden. Fysiek is het ook geen probleem; ik ben krachttraining blijven doen. Ik mis alleen wat balgevoel. Volleybal is een sport van herhalingen. En die zitten na zo’n lange vakantie niet in mijn lichaam.”

Zijn pauze is het voorportaal vaneen afscheid als international, erkent Rauwerdink. „Maar ik wil de deur nu nog niet dichtgooien, met volgend jaar het EK in eigen land. Ik beslis na het seizoen. Ik ga nog één jaar naar Griekenland, dat hebben mijn vrouw en ik besloten. Omdat ik een fijne tijd heb gehad bij Olympiakos, met de landstitel, een (verloren) Europa-Cupfinale en de bekerwinst. En het geld is goed, daar ben ik eerlijk in.”

Daarna is het buitenland passé en geeft Rauwerdink zijn studie Human Resource Management, die hij nu online volgt, alle voorrang. Stellig: „Nog twee jaar, dan hoop ik klaar te zijn. Ik zie dat als een verplichting tegenover mijn gezin. Ik heb heel goed verdiend en een buffer opgebouwd, maar daar kan ik de rest van mijn leven niet op teren. Er zal straks gewoon gewerkt moeten worden.”

Sportief gezwel

Terugblikkend blijft zijn verwijdering uit nationale selectie in 2013 door bondscoach Edwin Benne een sportief gezwel. Zelf spreekt Rauwerdink van „zijn grootste knauw”. In retrospectief: „Ik zou toen niet meer van waarde zijn voor de ploeg. Dat raakte mij ontzettend, omdat ik er al mijn emotie in stopte. Af en toe speelt die pijn nog wel eens op. Het heeft wat passie voor het Nederlands team bij me weggenomen. Die duizend procent overgave is sindsdien niet meer onvoorwaardelijk.”

Zijn verwachtingen van het WK? „Die zijn niet hoog gespannen. We zitten in een zware poule met olympisch kampioen Brazilië en de Europees kampioen van 2015 Frankrijk. Dat wordt dus een kwestie van overleven. Al dromend zou een plaats tussen de tien en veertien mooi zijn, maar een plek bij de beste zestien lijkt me realistischer. We moeten nuchter blijven: Nederland is simpelweg de nummer 25 van de wereld.”

    • Henk Stouwdam