Opinie

    • Frits Abrahams

De woede van Serena

De spectaculaire woede-uitbarsting van Serena Williams tijdens de finale van de US Open krijgt wereldwijd aandacht. Begrijpelijk. Een topspeelster die de umpire op de baan voor een dief en een leugenaar uitscheldt en hem achteraf ook nog van seksisme beschuldigt – ik volg het toptennis al heel lang, maar zó zout heeft het me zelden gesmaakt.

De vraag is of haar woede ook gerechtvaardigd was. Op de persconferentie na afloop toonde ze geen enkele spijt. Sterker nog, ze wreef nóg meer zout in de wonden die volgens haar het toptennis kenmerken. Vrouwen worden ongelijk behandeld, beweerde ze, want mannelijke tennissers kunnen zich hetzelfde gedrag veroorloven, zonder ervoor op dezelfde harde manier gestraft te worden.

Eerst kreeg ze een waarschuwing voor het zoeken van contact met haar coach op de tribune. Die coach bevestigde later dat hij het geprobeerd had, maar Serena zou het niet gezien hebben. De tweede waarschuwing (plus een strafpunt) was voor het vernielen van haar racket, de derde waarschuwing (plus het toewijzen van de game aan de tegenstander) betrof het uitschelden van de umpire.

Na de match kreeg Williams veel bijval. Journalisten gaven haar aan het einde van de persconferentie een applausje, later volgden steunbetuigingen van oud-spelers. Billie Jean King: „Als vrouwen zoiets doen, zijn ze hysterisch, bij mannen heet het openhartigheid.” Andy Roddick: „Ik heb ergere dingen gezegd en geen puntverlies gekregen.” Zou Roddick die ‘dingen’ ook op de grote toernooien hebben gezegd? Ik geloof er niets van.

De beschuldiging van Williams dat mannen met zulk gedrag kunnen wegkomen, klopt niet. Vergelijkbaar gedrag zag je vroeger vooral bij John McEnroe. Hij riep naar officials op de baan beledigingen als: ‘Jullie zijn het schuim van de wereld’, ‘gieren’ en ‘gajes’. Daarvoor kreeg hij gedurende zijn loopbaan tientallen waarschuwingen en boetes, in totaal voor 69.500 dollar. Hij werd in 1985 uit het Amerikaanse Davis Cup-team gegooid vanwege wangedrag in de finale tegen Zweden, en werd in 1990 zelfs helemaal uit de Australian Open verwijderd na drie waarschuwingen voor wangedrag tegen zijn tegenstander.

Daarmee vergeleken komt Williams er nog goed vanaf. Ik zou het niet vreemd hebben gevonden als de umpire haar na de beledigingen ‘dief’ en ‘leugenaar’ van de baan had gestuurd; in het voetbal zou dat gebeuren.

Wat het optreden van Williams nog onsympathieker maakte, was haar dreigement dat de umpire nooit meer een wedstrijd van haar toegewezen mocht krijgen. Eenzelfde soort dreigement kwam ik ook bij McEnroe tegen. Het is het intimiderende gedrag van verwende supervedetten.

Williams had zich al eerder misdragen: in 2009 toen ze op het punt stond – net als nu tegen Osaka – op de US Open van Kim Clijsters te verliezen. Ze kreeg straf voor een voetfout en voegde daarop de scheidsrechter toe: „Ik zweer bij God, ik pak deze bal en duw ’m door je strot heen, hoor je dat?”

Maar stel dat Williams gelijk heeft met haar beschuldiging omtrent ongelijke behandeling van tennisvrouwen, dan blijft de vraag: waarom zou ze zich zo willen gedragen als al die heetgebakerde mannen die haar voorgingen? Misschien moet het antwoord zijn: omdat ze slecht tegen haar verlies kan.

    • Frits Abrahams