Opinie

    • Mirjam de Winter

‘Vrienden der negers’

Toen een groep (zwarte en witte) kunstenaars en academici vorig jaar protesteerde tegen de naam van kunstinstelling Witte de With, werd daar door veel Rotterdammers een beetje lacherig over gedaan of zelfs boos op gereageerd. De grootste partij van de stad, Leefbaar Rotterdam, dreigde met het stopzetten van de gemeentelijke subsidie als de instelling de eis (naamswijziging) van de actievoerders zou inwilligen. „De geschiedenis heeft mooie en minder mooie kanten”, betoogde raadslid Tanya Hoogwerf. „Het past niet om er enkel negatieve aspecten uit te kiezen. Witte de With was óók een zeeheld.” Maar Leefbaar Rotterdam wist vervolgens niet te voorkomen dat een meerderheid van de (vorige) gemeenteraad naar aanleiding van deze discussie een voorstel aannam voor een diepgravend onderzoek naar het koloniale- en slavernijverleden van Rotterdam. Veel Rotterdammers hebben tenslotte Surinaamse, Kaapverdiaanse of Antilliaanse roots en zijn nazaten van tot slaaf gemaakten, zo luidde het argument van de voorstanders. En: „Hedendaags Rotterdams burgerschap kan niet zonder kennis van het verleden van de stad.” Deze zomer is officieel opdracht gegeven voor het onderzoek, dat gaat worden uitgevoerd door het Koninklijk Instituut voor Taal- ,Land- en Volkenkunde, onder leiding van directeur Gert Oostindie (geen grap).

Feitenonderzoek naar het slavernijverleden van een gemeente is niet alleen uniek voor Nederland (én Europa), belangrijk is vooral dat de onderzoeksresultaten niet zullen verdwijnen in een dik, onleesbaar rapport, maar via tentoonstellingen en educatieve projecten terecht komen bij de Rotterdammers. En niet alleen de geschiedenis wordt onderzocht, maar ook het effect van ons slavernijverleden op het heden. Rotterdammers zouden daar trots op moeten zijn, in plaats van een dergelijk onderzoek als een bedreiging te zien. Want waar zijn de tegenstanders bang voor? Voor een Rotterdamse beeldenstorm of rassenrellen? Het kunstencentrum gaat inderdaad zijn naam veranderen, verder zullen hooguit hier en daar extra informatiebordjes bij een standbeeld of straatnamenbordje komen te hangen, maar wat is daar op tegen?

En ja, veel Rotterdammers zullen voor het eerst horen over de achtergronden van marineoficier Witte Corneliszoon de With (alias ‘Dubbelwit’) en zijn vernietingstochten naar Ambon en Jakarta. Of over het Rotterdamse slavenhandelshuis Coopstad & Rochussen, verantwoordelijk voor het verhandelen en vervoeren van zo’n 20.000 slaven vanuit West-Afrika naar de plantages van Suriname en de Nederlandse Antillen. Maar er zijn vast ook hoopvolle en positieve verhalen te vertellen. Zoals die over de 129 Rotterdamse elite-vrouwen die in 1842 een petitie aanboden aan de koning, waarin zij pleitten voor onmiddelijke afschaffing van de slavernij. Het was een van de eerste Nederlandse burgerinitatieven, in gang gezet door een Britse activiste met (Britse) vriendinnen in Rotterdam. Vrouwen van Rotterdamse havenbaronnen en handelslieden werden benaderd via een pamflet: „Laten wij onzen invloed uitoefenen op onze echtgenooten, op onze broeders, of op onze andere betrekkingen. [….]” Was getekend: „De Vrienden der Negers”.

Het verhaal gaat dat Koning Willem II uiterst verbaasd reageerde op de petitie, niet gewend aan vrouwelijke bemoeienis met politiek-maatschappelijke kwesties. Maar echt onder de indruk was hij kennelijk ook weer niet van deze Rotterdamse ‘Vrienden der Negers’, want het duurde nog ruim 20 jaar voordat Nederland de koloniale slavernij afschafte.

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.

    • Mirjam de Winter