Overleven zonder steun – kan dat?

Sociaal ondernemen Kunnen worstelende sociale initiatieven wel zonder hulp van de gemeente – die blij is dat ze er zijn? Tekst
In de tunnels op het terrein van Uit Je Eigen Stad worden onder meer bijzondere tomaten gekweekt.

Het was warm, afgelopen zondag, en het terras van stadsboerderij Uit Je Eigen Stad zat redelijk vol. Kinderen van bezoekers renden uitgelaten over de paadjes langs de verdroogde rozebottelstruiken in de moestuin van twee hectare pal tegenover de Merwehaven in Rotterdam-West. „Terwijl nog niet eens bekend was dat we weer open zijn”, zegt Robert Pellikaan, bedrijfsleider van de boerderij annex restaurant.

Eigenlijk was die eerste dag na een sluiting van bijna twee maanden gewoon een hele goede dag, vinden hij en zijn collega Jacqueline Stammeijer, afgestudeerd in dynamische landbouw. „Voor de vakantie zaten we er helemaal doorheen”, zegt ze. „Onze winkel aan de achterkant van station Rotterdam Centraal ging failliet omdat deze net buiten de toegangspoortjes zat, waardoor reizigers er geen lunch kwamen kopen. En hier hadden we te weinig personeel”, zegt Pellikaan, die eigenlijk bouwvakker van beroep is. „Toen de kok vertrok, ben ik zelf maar in de keuken gaan staan.”

Na een negatieve recensie van het AD over de geserveerde maaltijd beseften ze dat ze zo niet verder konden en besloten ze de hele zomervakantie dicht te gaan.

Komend jaar gaan ze het anders doen. Naast de BV richten ze een stichting op. De bedoeling is dat daar geld naartoe gaat voor de begeleiding van bijvoorbeeld werklozen met een burn-out die in de moestuin werken om er weer bovenop te komen. „Die mensen begeleiden we nu zelf terwijl we ook het restaurant en de moestuin moeten runnen”, zegt Stammeijer. „Maar dat is gewoon teveel.”

Uit Je Eigen Stad is een van de sociale ondernemingen in Rotterdam waar structureel te weinig geld is om stabiel te kunnen functioneren. De vraag is of dit nu een bedrijfsmatig probleem is, of dat de gemeente hier moet ingrijpen omdat ze wel gebruik maakt van hun diensten, maar er niet voor betaalt.

Dat laatste is bij Uit Je Eigen Stad het geval, volgens Huibert de Leede, die het bedrijf samen met twee anderen in 2012 oprichtte. Als kleinzoon van een boer wilde hij Rotterdammers weer in contact brengen met de productie van voedsel door zelf verbouwde groenten en vlees uit eigen stal te serveren – er lopen ook varkens en kippen rond. „Het was nooit onze bedoeling om sociaal werk te gaan verrichten”, zegt De Leede. „Maar de mensen kwamen vanzelf aanwaaien. Buiten werken ontspant. En wij hebben handen nodig.” Dus waren ze welkom.

Probleem is echter dat ze wel begeleiding nodig hebben, terwijl hun reïntegratie- of zorgbudgetten niet toegankelijk bleken voor Uit Je Eigen Stad. „Het geld blijft hangen bij de grote zorginstellingen en reïntegratiebedrijven”, zegt Pellikaan.

Dit is ook het verhaal van Bob Richters, oprichter van de keten van Rotterdamse wijkrestaurants Hotspot Hutspot. Hier kunnen jongeren en kinderen vanaf tien jaar onder begeleiding van een professionele kok in de keuken komen werken in ruil voor een warme maaltijd. „Ik heb hier een jongen van 15 jaar van wie een zorginstelling had vastgesteld dat zijn intelligentie te laag zou zijn voor een baan. Maar bij ons werkt hij in de keuken en volgt hij een mbo-koksopleiding. Die betalen wij ook, met behulp van fondsen. Hij doet het heel erg goed. Maar geld van die zorginstelling voor zijn begeleiding krijgen we niet. Dat overkomt ons ook met mensen wiens budget berust bij andere zorginstellingen, zoals Pameijer. Die zeggen: we sturen een van onze eigen begeleiders mee als je acht van onze cliënten in je keuken plaatst. Omdat ze geen budget aan ons willen afstaan. Maar wij hebben geen ruimte voor acht cliënten van Pameijer.”

En dus betaalt Pameijer voor die ene persoon die bij Hotspot Hutspot in de keuken werkt geen dagvergoeding, terwijl de instelling er wel een budget voor heeft.

Gemeente: het is ingewikkeld

Het is niet zo dat de gemeente er niets aan wíl doen, zegt de woordvoerder van de wethouder die er sinds deze zomer over gaat, Richard Moti (PvdA). „Maar de situatie is vrij ingewikkeld. Sociaal ondernemers hebben vaak te maken met verschillende beleidsterreinen zoals zorg, werk en economie, waarbij ambtenaren van verschillende diensten betrokken zijn en verschillende regels. Ik kan nu niet één, twee, drie zeggen hoe deze problemen opgelost worden.”

In 2016 nam de gemeenteraad een motie aan van de ChristenUnie/SGP waarin staat dat aanbieders van diensten op het gebied van zorg en welzijn rekening moeten houden met initiatieven in de wijk van onder meer sociaal ondernemers. „Maar dat doen ze helemaal niet”, zegt Richters. Zo zit zijn grootste wijkrestaurant in een voormalige zorgflat in Lombardijen op Zuid.. „Nu gaat welzijnsorganisatie PIT010 die de gemeente gecontracteerd heeft vlakbij ons ook een wijkrestaurant openen. Dat schiet toch niet op? Ze hadden in die motie beloofd om dat soort dingen niet te doen. ” De twee initiatieven concurreren met elkaar, volgens Richters. Terwijl zijn restaurant het moet hebben van eigen inkomsten (30 procent van de omzet) en subsidies uit fondsen, en PIT 010 door de gemeente betaald wordt.

Daarbij komt ook nog eens dat hij werklozen met afstand tot de arbeidsmarkt aan een baan helpt, door hen op te leiden tot kok bijvoorbeeld. Daar krijgt hij geen vergoeding voor, terwijl reïntegratiebedrijven volgens hem een bonus krijgen van de gemeente als ze iemand naar een baan laten uitstromen. „Ik heb me daaraan geërgerd”, zegt Richters, die zegt 2.000 euro per maand te verdienen en daarvoor 70 uur per week te werken. „Je kent ze wel, van die jongens in een pak met snelle auto’s.”

Het contrast met zijn eigen situatie kon niet groter zijn. Een paar jaar geleden verkocht hij een van zijn twee woonboten omdat hij die niet meer gebruikte. Een deel van de opbrengst gebruikte hij om Hotspot Hutspot draaiende te houden. Privé-geld dus.

Het is eigenlijk van de gekken, vindt ook raadslid Tjalling Vonk van de ChristenUnie/SGP. Toen de motie in 2016 aangenomen werd zat hij nog niet in de politiek, maar hij kent de problematiek wel vanuit zijn baan als coördinator bij het Leger des Heils. „Daar zijn echt wel oplossingen voor te bedenken. Vanuit mijn werk weet ik dat je als gemeente een zorgaanbieder kunt vragen om bepaalde diensten uit te besteden aan onderaannemers, zoals lokale sociaal ondernemers.” Dat is waarschijnlijk het eenvoudigst omdat er dan een eenduidig model ontstaat voor alle sociaal ondernemers die werk voor de gemeente verrichten, maar daar op dit moment niet voor betaald worden.

Bij stadsboerderij Uit Je Eigen Stad werken de initiatiefnemers inmiddels aan een eigen oplossing. „Wij begeleiden nu 30 mensen per week. Daarvoor hebben we de gemeente zo’n 124.800 euro per jaar gevraagd”, zegt De Leede. „Dat is 40 procent van wat dit soort projecten normaal gesproken kosten. Als de gemeente ons dat bedrag toekent, hoeven we geen ingewikkelde administratieve trajecten bij verschillende instanties te doorlopen.”

Hij doelt op de zorgindicatie die de stadsboerderij moet regelen voor een deelnemer met een zorgbudget, een reïntegratielabel voor een deelnemer met een burn out, of een ex-tbs-er, bijvoorbeeld. En het wordt ook mogelijk om mensen te begeleiden die helemaal geen indicatie hebben maar eenzaam zijn, bijvoorbeeld. Zoals de oudere dame die onlangs weduwe geworden is en dagelijks in de tuinen te vinden is. „Daar is ze enorm van opgeknapt”, zegt De Leede.

Als er geen geld voor begeleiding naar deze sociaal ondernemers gaat, is de kans groot dat ze verdwijnen, zegt landbouwdeskundige Stammeijer. „De economie trekt aan, mensen die hier eerst vrijwillig kwamen helpen, gaan nu weer doen waarvoor ze opgeleid zijn. Het zal moeilijker worden om de zaak overeind te houden.”

Aantrekkende economie

Dat zegt ook Amelie Veenstra, directeur van de Impact Hub, een organisatie van startende sociaal ondernemers die duurzame en sociale innovaties ontwikkelen. „Het aantal sociaal ondernemers groeide tijdens de crisis enorm. Veel mensen hadden geen werk, dus konden ze net zo goed iets nuttigs voor hun leefomgeving gaan doen waar ze weinig mee verdienden. Dat is nu niet meer zo.” Bovendien krijgen ze weinig medewerking van de gemeente, vindt Veenstra, ook in situaties waar de gemeente niet afhankelijk is van andere organisaties. „Wij wilden het pand aan de Middellandstraat waar we inzitten kopen van de gemeente. Maar die verkocht dat liever aan een commerciële bieder.” Tegelijkertijd stak de gemeente een paar miljoen euro in de vestiging van stichting Venture Café, een organisatie die gelieerd is aan CIC, een bedrijf voor start ups. Een concurrent dus”, zegt Veenstra, „dat verstoort de markt”.

Ondertussen willen Rotterdammers de sociale ondernemingen die er nu zijn niet kwijt, zo bleek uit reacties op het faillissement van Granny’s Finest vlak voor de zomer. Daar breiden 800 oudere dames sjaals die bij de Bijenkorf verkocht werden, in ruil voor een zinvolle dagbesteding en gezelligheid. Ook daar was het probleem dat de begeleiding en organisatie van de breidagen zoveel tijd en geld van de ondernemers kostte dat ze het na jaren van investeren niet meer konden opbrengen. Terwijl hun subsidiegevers er juist op rekenden dat de zaak na een aantal jaar winstgevend zou zijn waardoor de geldstroom stokte. „Maar dat werd hij dus niet”, aldus voormalig eigenaar Niek den Hengel.

Voor de Rotterdammers die de diensten van sociale ondernemingen gebruiken, is het triest als ze zouden verdwijnen, vindt de Rotterdamse actrice Romana Vreede. Haar zoon Charlie (15) is geboren met een vorm van autisme waardoor hij allerlei vaardigheden zoals spraak niet beheerst en speciale begeleiding nodig heeft om te leven. De grote zorginstellingen leveren geen maatwerk, vindt Vreede. Dus regelt ze dat nu zelf. „Je moet voor elke aparte dienst budget aanvragen, zoals voor het verschonen van een luier en veters strikken tot aan onderwijs.” En degene die onderwijs geeft, helpt weer niet met luiers verschonen. „Heel lastig.”

Per jaar heeft ze voor haar zoon een persoonsgebonden budget van zo’n tachtigduizend euro. „Ik heb eens uitgerekend dat van dat hele bedrag maar tienduizend euro direct aan begeleiding van Charlie besteed zou worden als je het aan een zorginstelling zou overlaten. De rest blijft er aan de strijkstok hangen. Het gebouw moet ervan betaald worden, de salarissen van het personeel, en natuurlijk ook: de auto van de directeur.”

    • Lucette Mascini