Opinie

    • Caroline de Gruyter

‘Flexibiliteit’ is geen toverformule

21 EU-landen zijn bezig een kantoor op te richten voor één Europese aanklager. Ze doen dit met een ‘kopgroep’, omdat het met alle 28 lidstaten al jaren niet lukt.

Sommige lidstaten sloten deze zomer bilaterale deals over het terugsturen van asielzoekers die in meer EU-landen asiel hebben aangevraagd. Daar bestaat een Europese regeling voor, maar die werkt niet meer. Omdat landen het niet eens worden over een nieuwe regeling voor alle 28, regelen sommige het nu maar onderling.

De Franse president Emmanuel Macron zegt vaak dat one size fits all niet meer werkt in een grote EU waarin standpunten over migratie of defensie ver uiteen lopen. Macron wil drie „concentrische cirkels” van integratie instellen, om Europa vooruit te helpen. Landen die niet of beperkt verder willen integreren, zitten in de buitenste twee cirkels. Frankrijk en anderen die wél verder willen integreren en zich afgeremd voelen door de rest, zitten in de binnenste cirkel, ofwel „het hart van de reactor”.

Dit zijn drie voorbeelden die aangeven hoezeer het begrip ‘flexibiliteit’ in de mode is in Europa. Zelfs de Britten, die de EU verlaten, eisen bij elke gelegenheid ‘flexibiliteit’ van Brussel. Vreemd is het dus niet dat het nieuwe rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over Europa, dat dinsdag verscheen, de titel Europese variaties meekreeg – variaties op het thema flexibiliteit.

Het rapport begint zo: „Om bijna dertig, onderling zeer verschillende Europese staten en hun burgers waar nodig te verenigen, zal de Europese Unie meer ruimte moeten bieden voor variatie.” De WRR wil dat Europa meer een ‘demoicratie’ wordt – meervoud van ‘democratie’. Dit zou landen meer bewegingsvrijheid geven. Nu staan ze soms lijnrecht tegenover elkaar, oost tegen west, noord tegen zuid. Zo draait de EU zichzelf muurvast. „Het vermogen tot verandering en aanpassing is altijd een essentiële kracht geweest van de Europese integratie. Het is noodzakelijk dat vermogen te herontdekken, want als de EU zelf niet kan veranderen, zullen de omstandigheden haar op enig moment met onvermijdelijke veranderingen confronteren.” Het rapport suggereert creatieve, flexibele oplossingen om impasses over migratie, eurohervorming en de interne markt te doorbreken.

Sommigen presenteren flexibiliteit nu als een soort toverformule. Maar het is niets nieuws. De EU heeft zich er altijd van bediend, en hoe. Niet alle EU-landen doen mee aan Schengen of de euro. Het VK en Denemarken zijn verwoede verzamelaars van ‘opt-outs’. Soms zorgt die flexibiliteit voor blijvende tweedeling in Europa. Maar soms werkt de kleinste hint over ‘meerdere snelheden’ juist integrerend. Als een kopgroepje er alleen vandoor wil, zoals bij Pesco (defensiesamenwerking), voelen de onwilligen zich zo buitengesloten dat ze zich alsnog aanmelden.

In het blad E!Sharp schreef voormalig Europees diplomaat Pierre Vimont laatst dat pragmatische flexibiliteit kan werken als instrument om oplossingen te vinden. Maar dogmatische flexibiliteit, waarvan het VK zoveel eiste, geeft volgens hem juist scheve ogen. Oost-Europeanen buitensluiten van migratiedeals kan schadelijk zijn: „Zij zien flexibiliteit als trucje, om hen op te sluiten in een tweederangs zone.” Zo lost flexibiliteit tweespalt niet op, maar wakkert ze die aan.

Bovendien: hoe kun je met flexibiliteit diepe conflicten te lijf binnen de EU, zoals het geschil met Hongarije en Polen over de rechtsstaat? Deze landen schenden de basisregels die voor allen gelden. Zo’n geschil kún en mág je niet flexibel oplossen. Dan beroof je de EU van zijn juridische grondslag en morele kompas.

„Denken dat flexibiliteit op zich tot een hervormd Europa kan leiden, leidt tot illusies en teleurstelling”, schrijft Vimont. Hij heeft gelijk. Het is soms een middel om vooruit te komen. Nooit een doel op zich.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.
    • Caroline de Gruyter