Bibi Dumon Tak: „Op de terugweg zei ze: ik ben proefkonijn, hè. Ik weet niet of ik het echte medicijn krijg of een placebo. Ja, Saar. Ze zei: dat ga ik toch niet doen? Nee, Saar.”

Foto Merlijn Doomernik

‘Ze zei: mijn kinderen zijn ook van jou, hè’

Bibi Dumon Tak Deze maand krijgt Bibi Dumon Tak de Theo Thijssenprijs voor haar kinderboeken-oeuvre. Nu móét ze verder met dat boek over haar overleden zusje, Saar. ‘Die hele geschiedenis zit me in de weg, het zit mijn andere schrijven in de weg.’

Bibi Dumon Tak schrijft kinderboeken, non-fictie, over koeien en pinguïns en duiven en ijsberen. Na vijf Zilveren Griffels en één Gouden krijgt ze, op 25 september, de Theo Thijssenprijs. Zestigduizend euro. Hoger kun je in Nederland niet stijgen, als kinderboekenschrijver. En nu schrijft ze een boek voor volwassenen, autobiografisch, over de tragedie die ze met haar zusje Saar heeft meegemaakt. En met haar vader en haar zwager.

We zitten op het plaatsje achter haar huis in Waterland, boven Amsterdam. Sloten, dijken, weilanden, riet. Ze woont er nog maar net, met haar man, Jan Paul Schutten, die ook kinderboeken schrijft. Twee Gouden Griffels en de Nienke van Hichtum-prijs. Ze maken er graag grappen over: wie op wie voorligt. Voorheen woonden ze op tweehoog in Amsterdam-Zuid, maar ze verdroegen het lawaai niet meer, de verbouwingen in de huizen om hen heen, de toeristen.

We gaan het over dat boek in wording hebben, maar eerst praten we over haar jeugd, de dingen die haar gevormd hebben. De geboorte van haar zusje Saar, die nu overleden is. Saar was slechthorend, bijna doof, en Bibi, zeven jaar ouder, wilde haar altijd beschermen. De scheiding van haar ouders, toen ze negen was. „Mijn broer en ik kwamen uit school, mijn moeder had de auto ingepakt, Saar zat achterin tussen de koffers. Hè? Ja, zei mijn moeder, we gaan weg. We reden naar mijn oma in Rotterdam en daar zijn we gebleven tot mijn vader het huis verlaten had.” Dat huis was in Capelle aan den IJssel.

De meester op school kwam er pas achter toen ze een tekening voor Vaderdag had gemaakt en vroeg of ze die vast mocht meenemen. Nee, Bibi, Vaderdag is pas volgend weekend. Maar dan zie ik mijn vader niet. Hoezo zie jij je vader dan niet? „Ik schaamde me helemaal kapot.”

Ze was een positief en vrolijk kind, zegt ze. „Dat was mijn redding.” Zoals ze over haar vader praat, de keren dat ze met haar broer bij hem logeerde in Zeeland, in een huis zonder elektriciteit – helemaal Annie M.G. Schmidt. ’s Nachts jutten op het strand en aangespoelde sinaasappelen gewoon opeten. In de modder mee graven naar Romeinse dakpannen – hun vader was amateurarcheoloog – en als de drankfles rondging, kregen de kinderen ook een slok. „Hij werkte op een scheepskantoor, op een dag had hij insecten voor me meegenomen, in een jampot, ze kwamen uit de lading van een Chinees schip. Hier Bibi, leuk voor jou. Wat zijn het, pap? Spinnen? Ik was bang voor spinnen. Het waren kevertjes. Allemaal dood.” Ze wilde dierenarts worden. Of ornitholoog.

Maar ze studeerde Nederlands en ging lesgeven aan anderstaligen. En schrijven. Ze debuteerde in 2001 met een koeienboek voor kinderen, op haar zesendertigste. Ze wist al dat ze zelf geen kinderen zou krijgen. „Ik heb nog een poging met IVF gedaan en toen dacht ik: nee. Dat gepruts, het stond me zo tegen.”

Lees meer over haar Het heel grote vogelboek: Hier wordt een nieuwe generatie vogelaars geboren

Het boek dat je nu schrijft, wanneer ben je begonnen?

„Vorig jaar. Op basis van de eerste drie hoofdstukken zei de uitgever: gaan we doen. En toen ben ik weer gestopt. Ik wilde eerst mijn non-fictie-poëziebundel over evenhoevigen afmaken. De onevenhoevigen komen er deze keer niet in.”

Eh?

„Eén teen. Of drie tenen. Paarden, ezels, neushoorns. Alleen de tapir mag erin, ondanks zijn drie tenen, want hij protesteert, en de okapi neemt het voor hem op.”

En het nijlpaard?

„Vier tenen, dus ja. Een rotzak, net als in de werkelijkheid, maar hij moet erin. Hij eet de dikdik op omdat die niet beleefd genoeg tegen hem is.”

Maar je boek. Waar twijfel je over?

„Het is een heel persoonlijk verhaal en ik moet het zo vertellen dat het voor anderen ook interessant is en waarde heeft.”

Hoe begin je?

„Met de scène dat ik als twaalfjarige in de auto achter het stuur zit. Ik vroeg aan mijn vader of ik een stukje mocht rijden en toen zei hij ja.”

Wat heeft het met Saar te maken?

„Die auto wordt een soort symbool van de reis die je sowieso in het leven maakt. En ik heb heel veel met Saar in de auto gezeten toen ze in Duitsland behandeld werd. Geen hocus pocus, hoor. Dezelfde behandeling die ze in Nederland ook al had gekregen.”

Ze was dus ziek geworden.

„Na haar scheiding, van de ene op de andere dag. Ze had een pijntje in haar zij, totaal niet alarmerend. Ze had net de marathon in Rotterdam gelopen. Ze ging naar het ziekenhuis en toen appte ze: het loopt hier uit, kun jij naar mijn huis gaan? Haar jongste gaf die middag een verjaarspartijtje, hij werd zes. Daarna appte ze dat er verdachte… eh… Ik weet niet meer welk woord ze gebruikte, maar ik dacht meteen: kanker.”

Wanneer was dat?

„December 2013. Een paar dagen later zat ze weer bij de oncoloog, mijn moeder en ik waren mee. De oncoloog zei: ik kan je niet helpen. Het was galwegkanker, uitgezaaid naar de lever. Heel zeldzaam en onbehandelbaar. Ik zag aan zijn gezicht hoe verschrikkelijk hij het vond. Mijn moeder begon te huilen en mijn zusje... Ik dacht, wat hoor ik voor getik? Dat waren haar benen die tegen elkaar stuiterden. Maar ze was zo scherp, zo scherp. Ze had zich heel mooi aangekleed en ze was zelf ook heel mooi, hè. Lang en dun, met lang zwart haar, perfect. Ze boog zich voorover, ellebogen op het bureau van de arts, en wees naar de muur: die foto’s daar, zijn dat uw kinderen? Ik heb ook kinderen, jonger dan die van u. U gaat mij behandelen.”

En dat heeft hij gedaan?

„Een jaar. Toen stopte het voor het ziekenhuis. Daarom zijn we naar Duitsland gegaan. De eerste keer, ze kon niets meer, ze lag naast me in de auto. We kwamen aan en ze zei: ik moet niet te dood lijken. Ze stond op en liep het ziekenhuis binnen. Zo heeft ze er nog een jaar bij gekregen. Maar ze was heel, heel ziek en de kinderen waren vaak bij mij. Ze zei: mijn kinderen zijn ook van jou, hè. Heel lief. Ze had het in haar testament laten vastleggen. Maar ik begreep wel dat het juridisch weinig waarde had. En dat is ook gebleken.”

Want?

„De notaris zei: dat zijn wensen. Het gezag is voor honderd procent naar de vader gegaan. Mijn moeder heeft wel rechten, als oma, maar die worden zelden toegekend. En wat bereik je als je naar de rechter gaat? De kinderen zouden verscheurd raken. We hebben ze na de crematie niet meer gezien. Ze mochten niet eens bij het condoleren zijn. Zo treurig. Het is zo treurig. Daarom moet ik dat boek schrijven. Die hele geschiedenis zit me in de weg, het zit mijn andere schrijven in de weg. Het heeft de rouw ook lang in de weg gezeten. Ik was alleen maar woedend. Ik kon het gewoon niet bevatten. Nu wel, hoor. Je moet wel. Ik moet het ermee doen.”

Hoe oud zijn ze nu?

„Bijna elf en vijftien. Om de paar weken schrijf ik ze een brief, maar die zullen wel door de vader verscheurd worden. Telefoon, mail, alles is afgekapt. Op een gegeven moment hadden ze iets op YouTube gezet. O, daar zijn ze! Een uur later was het weg. Ik heb nog eens naar de school gebeld, de oudste zit op het gymnasium. Daar wisten ze nergens van. Moeder dood? Hij zit zijn proefwerk Frans te maken. Een vriendin van Saar is naar de school van de jongste gegaan, die speelde altijd met haar zoon. Dat heeft ze geweten.”

Wat hebben je moeder en jij verkeerd gedaan?

„Daar heb ik veel over nagedacht. Saar was op een vreselijke manier gescheiden. Is het daarom? Heb ik voor hem Saars plaats ingenomen? Op aanraden van vrienden heb ik een keer contact opgenomen met Veilig Thuis. Ik zei: de kinderen worden onttrokken aan hun familie en hun vriendjes, is dit geen vorm van mishandeling? Ze zeiden: u bent de vierde al die belt. Ik dacht: dat zit goed. Weet je wat er gebeurde? Ze gingen naar de vader en zeiden dat ik gebeld had. Wow. Toen had hij een stok om me mee te slaan. Tegen mij zeiden ze: die kinderen komen wel een keer bij u terug, u moet het glas halfvol zien. Pardon? Mijn moeder is haar dochter en haar kleinkinderen kwijt en ik mijn zusje en mijn neefjes. En dan zouden wij moeten denken dat het glas halfvol is?”

Ik heb eens naar school gebeld. Daar wisten ze nergens van. Moeder dood? Hij zit zijn proefwerk Frans te maken

De brieven aan de kinderen, je bewaart ze wel?

„Ik maak er foto’s van voor ik ze verstuur. Stel dat de kinderen op een dag voor mijn deur staan, wat ik niet denk, want ze zullen wel veel slechts over me te horen hebben gekregen, maar stel dat, en ze vragen me waarom ze nooit meer wat van me gehoord hebben, dan kan ik zeggen: kijk.”

Wat schrijf je ze?

„Ze moeten loyaal zijn aan hun vader, dus ik schrijf niet: wat erg, wat erg. Wel dat ik ze mis. Ze waren dol op de honden” – ze heeft twee stakkers uit het asiel – „dus ik vertel over de honden, en dan zo dat ze kunnen lachen. Maar het zijn geen vrolijke niemendalletjes.”

Mooi materiaal voor een schrijver.

„Ja, maar moeilijk. Mijn moeder – het eerste jaar wilde ze niet meer leven en het tweede jaar zei ze: ik ga een boek schrijven. Dat werden brieven aan de kleinkinderen, sommige heel emotioneel. Ik las ze en ik zei: dit is heel privé, te privé. Ik heb er nog een redacteur naar laten kijken en die zei hetzelfde.”

Hoe is het met je vader?

Ze aarzelt even. „De kinderen komen dus wel bij hem. Toen ik dat hoorde zei ik: pap, mag ik ook komen als ze bij jou zijn? Nee, nee, dat kan niet, want als hun vader dat hoort… Hè? Wát? Wát? Je vindt hem belangrijker dan mij?” Laconiek: „Daar kan ik nu ook mee omgaan. Als je de tijd neemt om alles van alle kanten te bekijken, weet je: mijn vader kan niet anders. Hij denkt: Bibi blijft toch wel bij me komen en anders verlies ik de kleinkinderen. Maar ik wil het niet meer horen als ze bij hem geweest zijn.”

Dat je het van alle kanten bekijkt, kun je dat omdat je erover schrijft?

„Mijn eerste hoofdstuk, in het begin, een dubbelloops geweer, echt. Ik was zo boos op iedereen, zo boos. Als mijn zus het allemaal geweten zou hebben… Maar ze weet het niet. En woede, wraak, nee, daar is niemand in geïnteresseerd. Die toon is er nu wel uit. Het verhaal moet vol mededogen zijn, niet meedogenloos. Het moet troost bieden.”

Hoe is je zusje gestorven?

„Ze wilde niet, hè. Over doodgaan werd niet gesproken. Toen ze al stervende was, had een vriendin van haar een afspraak gemaakt bij een experimentele arts in Gent. Saar zei: jij moet me brengen. Jezus, hoe dan? Maar ze moest en ze zou en ik heb het gedaan. Wij weer in de auto, met iemand erbij, voor als ze onderweg zou doodgaan. Ik dacht: als ik het niet doe, gaat het me achtervolgen. De artsen in Gent zagen natuurlijk ook dat het niet meer ging. Maar dat zeiden ze niet. Ze zeiden: we gaan je bellen, misschien kun je meedoen aan een trial met een nieuw medicijn. Op de terugweg zei Saar: ik ben proefkonijn, hè. Ik weet niet of ik het echte medicijn krijg of een placebo. Ja, Saar. Ze zei: dat ga ik toch niet doen? Nee, Saar. Toen heeft ze het opgegeven. Godzijdank. Maar het was zo triest, zo triest. Ze zei: Oké, dan wil ik morgen euthanasie. De volgende ochtend belde ze me, ik begrijp nog niet hoe, want ze kon niets meer. Ze zei: je moet nu komen, want ik wil dat je erbij bent. Waarbij? Bij de euthanasie. Ik naar haar toe, mijn moeder was er ook en de huisarts belde aan, een schat. Mijn moeder doet open en mijn zus roept: heeft hij alles bij zich? Ik zeg: Saar, je bent geen hond. Hij moet eerst met je praten. Dat zei hij ook en dat vond ze zo erg, het idee dat ze nog dagen moest leven met het idee dat ze dood zou gaan. Hij heeft haar iets kalmerends gegeven en toen is ze zelf gegaan, de volgende dag, heel rustig.”

Wist ze dat het zo zou lopen met de kinderen?

„Dat was juist het verschrikkelijke. Ze had het me voorspeld. De vader had tegen haar gezegd dat mijn moeder en ik de kinderen na haar dood nooit meer te zien zouden krijgen. Daar was ze voordat ze stierf erg overstuur over.” Ze is even stil. „Saar was zo’n krachtige vrouw, ook doordat ze zo slechthorend was. Tegen alle verwachtingen in was ze naar de universiteit gegaan, ze had psychologie gestudeerd. Ze heeft in die twee jaar geen dag in het ziekenhuis gelegen.”

    • Jannetje Koelewijn