Opinie

Nederland rekent zich rijk met ‘slim’ klimaatbeleid

Bij alle ‘ambitieuze’ klimaatplannen vergeet de regering gemakshalve dat ze van Brussel nu al vergaande afspraken moet zien te halen, constateert .

In de Tweede Kamer wordt de Klimaatwet gepresenteerd. Zeven fracties hebben na maandenlange onderhandelingen een definitief akkoord bereikt over de nieuwe wet. Foto Jerry Lampen/ANP

Den Haag werkt hard aan een nationaal klimaat- en energieakkoord. Het kabinet wil Nederland koploper maken bij de uitvoering van het klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Concrete afspraken over een CO2-reductie in 2030 met 49 procent ten opzichte van 1990 zouden Nederland een voorsprong geven op Europese afspraken, claimt de regering.

Ze vergeet alleen even dat ze al andere, harde afspraken met Brussel heeft gemaakt. En die gaan over méér dan alleen CO2. Ze maken een onderscheid tussen uitstootreductie van de industrie – die onder de Europese emissiehandel valt – en andere sectoren, waaronder landbouw en transport. Ook stellen ze specifieke doelen voor ‘hernieuwbare’ energie en energie-efficiëntie, twee terreinen waarop Nederland tot nu toe bepaald geen koploper is.

Het kabinet hoopt zich met het klimaatakkoord internationaal in de kijker te spelen als ‘facilitator’ van slimme investeringen in baanbrekende, klimaatvriendelijke technologieën. Dit moet bereikt worden met maatregelen die „CO2-emissies op Nederlands grondgebied verminderen”. Zo lijkt het een puur nationale aangelegenheid, niet afhankelijk van de Europese interne markt of internationale technologische of marktontwikkelingen.

Zeer opvallend is dat in de plannen tot nu toe – en ook in het Kamerdebat van 5 september – amper wordt gerept over de verhouding tussen de nationale plannen en Europese afspraken. Want in tegenstelling tot de redelijk vrijblijvende afspraken van ‘Parijs’, komen de Europese doelstellingen voort uit een wetgevend proces in Brussel, inclusief kostbare sancties voor lidstaten die ze niet naleven.

Voor 2030 gaat het om vier Europese doelstellingen, waarvan twee keihard. Voor de ‘emissiehandel-sectoren’ (de industrie) geldt een reductie van 43 procent ten opzichte van 2005. Voor landbouw en andere sectoren geldt voor Nederland een bindende verplichting om 36 procent minder uit te stoten. Dit geldt niet alleen voor CO2, maar óók voor andere broeikasgassen, zoals methaan (uit mest).

En er zijn nog meer doelen te halen

Voor heel Europa gelden nóg twee doelen. Ten eerste om 32,5 procent van de energie op te wekken uit hernieuwbare bronnen. En twee: een verlaging van het totale energieverbruik met 32 procent. De laatste twee afspraken zijn minder hard, maar lidstaten moeten wel elke twee jaar over de voortgang rapporteren aan de Europese Commissie. Die geeft individuele lidstaten daarna gerichte aanbevelingen.

Die Europese afspraken lijken nu nauwelijks een rol te spelen in de discussie aan de vijf Nederlandse ‘klimaattafels’. Het is ook de vraag of en hoe ze worden meegenomen in de berekeningen, die het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) nu maakt over de in juli door het Klimaatberaad voorgestelde plannen. Eerder was ‘kosteneffectiviteit’ daarbij de leidraad.

Goed op koers

Het PBL heeft eerder wel geprobeerd te kijken hoe de voorgestelde maatregelen zich verhielden tot de tot dan toe bekende Europese plannen voor 2030. Hieruit bleek dat ‘we goed op koers liggen’ voor de harde afspraken, en dat we ook dichtbij de Europese doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zouden kunnen komen.

Het kabinet heeft in februari één van de door het PBL voorgestelde pakketten gekozen en aan het Klimaatberaad, voorgezeten door oud-minister Ed Nijpels, gevraagd die verder uit te werken met het maatschappelijk middenveld. In antwoord op Kamervragen bleek dat Nederland– behalve voor ‘ kosteneffectiviteit’ – vooral kiest voor ‘sturing op CO2’ Het realiseren van andere doelen zoals de Europese „is daaraan secundair”, schreef minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) toen. Mocht de EU alsnog kiezen voor specifieke nationale doelstellingen voor duurzame energie en energie-efficiëntie, dan ontstaat een nieuwe situatie en bepalen we onze positie opnieuw, aldus Wiebes.

Lees ook: ‘Het gaat Nederland alleen niet lukken’

Vooralsnog is in Nederland het aandeel hernieuwbare energie minder dan 7 procent (2017), terwijl het naar 32,5 procent zou moeten in 2030. Het totale energieverbruik is de laatste jaren nagenoeg constant, dus met energie-efficiëntie moet nog een begin worden gemaakt. Of de klimaattafels inderdaad zullen opleveren wat het PBL berekende, moet ook nog blijken.

In mei meldde minister Wiebes alvast aan de Kamer dat „de afspraken met het Klimaatberaad kunnen leiden tot een wijziging van het verwachte aandeel hernieuwbare energie en het verwachte energiegebruik ten opzichte van de PBL-analyses”.

Niet zomaar doelstellingen ‘vergeten’

Nederland wil daarom in de onderhandelingen in Brussel over verdere aanscherping van doelstellingen ‘ruimte behouden’ om te zorgen dat het maatregelenpakket uit het definitieve klimaatakkoord past in de Europese plannen.

Het zou van meer realisme getuigen om nu al de Europese maatstaven en doelstellingen – dus ook die voor hernieuwbare energie en energie-efficiënte – als basis voor het nationale beleid te gebruiken, in plaats van deze gemakshalve te „vergeten”. Dan kan Nederland echt een Europese en internationale koploper worden en is de kans ook groter dat Nederland daadwerkelijk een proeftuin wordt voor nieuwe klimaattechnologieën .