Opinie

    • Eline de Jong

Krijgt Anton (85 jaar) of Bart (25 jaar) die dure pil vergoed?

De overheid wil niet discrimineren in de zorg. Maar onderscheid op basis van leeftijd is ethisch heel goed te verantwoorden, meent .
Tekening van Eline de Jong

In Welke patiënten worden de dupe? (Opinie, 25/8) wordt het zorgkostendebat door vier zorgexperts uitgelegd als ‘verdringingsvraagstuk’: het geld dat we uitgeven aan het ene medicijn, kunnen we niet inzetten voor het andere. We moeten die keuzes gedegen onderbouwen. Maar op welke grond? Ze bespreken die vraag in termen van ziektelast. Zorg is dan ‘meer nodig’ naarmate de ziekte ernstiger is.

Ethisch gezien is zo slechts één lezing gegeven van noodzakelijkheid. Het vraagstuk kan namelijk ook worden benaderd vanuit het idee dat iedereen een eerlijke kans moet krijgen op normale levensduur. Daarmee wordt noodzakelijkheid van zorg gerelateerd aan leeftijd. Dat is niet oncontroversieel – intuïtief willen we iedereen, jong en oud, alle nodige zorg bieden. Toch is het meewegen van leeftijd ethisch te onderbouwen. Ook met het ‘trolleyprobleem’ dat de auteurs aanhalen. Stel je deze situatie voor: een wagon moet linksom of rechtsom een gebouw passeren – op het linker spoor ligt persoon A (85 jaar), op het rechter spoor persoon B (25 jaar). Jij staat bij de wissel. Stuur je de wagon linksom of rechtsom?

Kiezen tussen twee kwaden dus. Vanuit die gedachte kun je linksom verdedigen – ten gunste van B, ten koste van A. Het argument is dan ‘fair innings’; geef iedereen een eerlijke kans op een normale levensduur. Als we niet kijken naar acute gezondheidsdreiging maar naar de kans op normale levensduur, dan is de dood van persoon A treurig, terwijl die van persoon B tragisch is.

Blind een richting op

Terug naar de vraag hoe we noodzakelijkheid in de zorg moeten begrijpen. Het Zorginstituut Nederland drukt daar een stevige stempel op. Dit bestuursorgaan beoordeelt nieuwe behandelingen en medicijnen aan de hand van vier criteria: noodzakelijkheid, effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Op basis daarvan adviseert het de minister over de samenstelling van het basispakket. De noodzakelijkheid wordt daarbij primair uitgelegd als ziektelast. De dood van een 85-jarige is dan ethisch even ernstig als die van een 25-jarige. Daarmee stuurt het instituut de wagon blind een richting op. Ondanks de ethische en maatschappelijke relevantie blijft de leeftijdskwestie daarmee goeddeels links liggen. Het Zorginstituut rechtvaardigt dat met het het non-discriminatiebeginsel. Het meewegen van leeftijd in deze kwestie is echter allerminst vergelijkbaar met het discriminatoir meewegen van geslacht of etniciteit. Als het goed is passeren we tenslotte allemaal dezelfde leeftijden. Over een heel leven gezien wordt dus niemand gediscrimineerd door het meewegen van leeftijd in de samenstelling van het basispakket.

Hoe dat eruit zou zien? Denk aan het toekennen van verschillende waarden aan gezondheidswinst in jongere en oudere leeftijdsgroepen. Daardoor kan het verschil tussen een treurige en een tragische dood worden erkend, zonder dat ouderen het per definitie afleggen tegen jongeren. Het is rechtvaardiger om te streven naar het aanbieden van zorg voor een ‘heel’ leven, dan naar een heel leven lang zorg. In een tijd van vergrijzing en sterk stijgende zorgkosten is het meewegen van leeftijd daarom een verkenning waard.

    • Eline de Jong