Opinie

    • Jeroen Geurts

In penispak tussen de drollen

Het zijn juist gekke ideeën die ons scheppingsvermogen en inzicht losmaken, al vinden we ze aanvankelijk moeilijk te verteren, vindt Jeroen Geurts. Dat geldt net zozeer voor wetenschap als voor kunst.

In de vakantie reden Marijn en ik naar het Boymans Van Beuningen in Rotterdam. Er was daar onder meer een tentoonstelling over leven en dood getiteld anima mundi. Als chef van een anatomie-afdeling was ik natuurlijk benieuwd. Ik liep langs een grote foto van een dode jongen en langs allerlei ledematen op sterk water, maar ook langs een robot die een praatje maakte met verraste bezoekers. Het ging allemaal over ‘bezieling’ (vandaar de naam) en over hoe gek het voelt als die bezieling er niet (meer) is. Zo’n robot kan veel, maar mist de geest. En als iemand dood gaat, ook al is dat nog maar net gebeurd, dan is er ogenblikkelijk iets ‘weg’, iets onherroepelijk veranderd. Dat zie je, zelfs op een foto. Of je nou in een daadwerkelijke ziel gelooft of niet, het blijft een interessante vraag wat het dan precies is wat ons mens maakt.

Over dit soort zaken nog wat na-mijmerend slenterden we samen naar een volgende expositie. Daar wachtte een heel andere ervaring. Tot mijn niet geringe achterdocht werd ons gevraagd om een huidkleurig pak aan te trekken, zodat we zelf ‘onderdeel konden worden van de exhibitie’. Op elk pak waren levensgrote geslachtsdelen en/of borsten genaaid. Met een vraagteken boven ons hoofd betraden we een zaal die tot aan de nok was volgebouwd met huizenhoge hopen poep. Zorgvuldig nagemaakt, van een soort plastic, maar onmiskenbaar.

Ik moest echt even schakelen. Daar sta je dan, net nog in diepe beschouwing verzonken over zaken als leven en dood, nu ineens in een penispak tussen de drollen. Een zeker gevoel van deflatie (pardonnez le mot) maakte zich van me meester. „Tja”, gniffelde Marijn, „Hier is het duidelijk de bedoeling dat men geschoffeerd wordt of bevrijd”. Toen een keurige dame in een hoekje op een scheetkussen ging zitten dacht ik: ja, dat ontbrak er nog aan.

„Je zal minister zijn en zoiets moeten subsidiëren”, grapte ik later over een koffietje. Slaat dit soort ‘kunst’ niet een beetje door? Ik dacht aan een YouTube filmpje waarin een Amerikaanse kunstdocent fel tekeer gaat tegen wat tegenwoordig allemaal door mag gaan voor kunst. „Waar is het vakwerk, het maatwerk, de precisie van een Rembrandt of een Michelangelo”, roept hij verontwaardigd. „Tegenwoordig kun je een leeg doek in een museum hangen en het kunst noemen!” Ik begreep zijn kritiek na al die keutelkunst maar al te goed. En toch is die te scherp. Júist gekke ideeën maken scheppingsvermogen en inzicht los, al vinden we ze aanvankelijk vaak moeilijk te verteren.

Er zit hier een interessante parallel tussen kunst en wetenschap. Wetenschappers, die met de mond creativiteit en vernieuwing belijden, verzetten zich in de praktijk juist vaak tegen al te uitdagende ideeën. Een Amerikaanse studie uit 2013 in het vakblad Science laat zien hoe behoudend wetenschappers precies zijn. De studie onderzocht bijna achttien miljoen (!) wetenschappelijke publicaties en vond dat slechts een luttele 3,5% wel eens een creatieve uitstap maakte naar ideeën uit een heel ander wetenschapsgebied. In het stuk worden innovatie en conservatisme op twee assen uitgezet. Publicaties die hoog scoren op beide assen worden het meest geciteerd. Studies die erg vernieuwend zijn maar weinig rekening houden met de conventie hebben minder impact.

Nieuwigheid moet kennelijk stevig verankerd zitten in het oude vertrouwde. Naar analogie: de bitcoin is herkenbaar als een munt, maar is dat feitelijk natuurlijk niet. We vertrouwen beelden die we al kennen en zien liever geen al te grote verstoringen.

Deze bevindingen stroken met mijn eigen ervaring als onderzoeker. Een nieuwe theorie over het ontstaan van de ziekte multiple sclerose kán wel, maar je moet goed opletten dat je de oude, heersende theorie een plek geeft in het nieuwe kader. Samen met filosofen analyseren wat er nou precies in de praktijk van de neurowetenschap wordt gezegd en gemeten is prima, als je intussen ook gewoon op die vertrouwde neurowetenschappelijke wijze dóór meet. Het oude en het nieuwe moeten vermengd worden, in precies de juiste doses.

Hoe innovatie precies werkt is een super-interessante vraag die door vooraanstaande wetenschappers steeds vaker wordt opgepakt. De YouTube kunstcriticus van hierboven stelt Michelangelo’s en Rembrandts tegenover zoiets als de poepkunst. Maar beide zijn nodig om de dynamiek van ons denken en ons creëren te garanderen. Medische onderzoeksfinancier ZonMw heeft een tijdlang disruptieve ideeën bekostigd via het onderzoeksprogramma Off Road en werkt momenteel hard aan vervolgfinanciering. Dat is een separaat en relatief klein programma. Het liefst zou ik zien dat álle onderzoeksprogramma’s, groot of klein, standaard ruimte krijgen voor dwarse vernieuwing. Gevestigde onderzoekers kunnen zich zo blijvend laten uitdagen door een klein groepje aanstormende talenten die ook daadwerkelijk een deel van het totale onderzoeksbudget beheren. Met dat geld kunnen ze gekke ideeën uitpluizen. Ideeën die de heersende theorie bevragen.

Af en toe een kleine keutel onder de Pietà van de baas. Dat verfrist.

Jeroen Geurts is hoogleraar translationele neurowetenschappen aan het VU medisch centrum in Amsterdam.
    • Jeroen Geurts