In de modder van Schoorl is de wereldtop ver weg

WK mountainbike

Nederland maakt dit weekend voor het eerst in jaren weer kans op eremetaal, maar de WK mountainbike krijgen weinig aandacht. Waarom? Op zoek naar antwoorden in de Schoorlse duinen.

De training van het mountainbiketeam Noord-Holland, met Marten Haitjema.

Het mountainbiketeam Noord-Holland, een talent of zeven sterk, is nog maar net aan de warming-up begonnen als ik ze al uit het oog verlies. Door een wirwar van takken zie ik nu en dan wat flitsen van jongelui die alle tijd en ruimte hebben om uitgebreid met elkaar de week door te nemen terwijl ze als evenwichtskunstenaars over boomwortels en door haakse bochten glijden. Nu en dan zetten ze hun machine al slippend dwars op het pad om te testen hoe het mountainbikeparcours in de duinen van Schoorl – een van de meest technische in Nederland, en daarmee ook razend populair – er op deze vochtige avond bij ligt; tamelijk droog, geen modder en dus aan de snelle kant. Het is jaren geleden dat ik dit rondje aflegde. Ik ben al lang blij als ik geen boom over het hoofd zie.

Top van Nederland

Als ze na pannenkoekenhuis Duinvermaak in Bergen via de Zwarteweg rechts het duingebied van Schoorl in duiken lijkt het alsof ze ineens twee keer zo hard rijden, tieners nog, maar wel de top van Nederland. Ze kiezen hele andere lijnen dan ik, remmen niet, of pas op het allerlaatste moment. Als ze daarna versnellen komen er krachten vrij die het resultaat zijn van jarenlange training – sommigen doen dit zes keer per week.

Een paar honderd meter ‘single track’ verderop, daar waar het bospad zo smal is dat er geen twee fietsers naast elkaar kunnen, staan ze te grinniken als ze zien dat ik mijn wielershirt wagenwijd open heb geritst. Mijn hartslag gaat al richting maximaal. Conditioneel maar vooral technisch zijn deze beloften, renners onder 23, van een totaal ander niveau. En dan moet de training nog beginnen.

Het mountainbiketeam Noord-Holland, met rechts trainster Arielle Boek-Van Meurs. Foto Olaf Kraak

Speelweiden

Zo moeten de meeste mountainbikers zich voelen als ze zich van de Nederlandse ‘speelweiden’ met wat zand en grind voor het eerst begeven op de keienrijke en wortelige parcoursen in de Ardennen en vooral in Frankrijk en Zwitserland, om zich te meten met de wereldtop. Die landen brengen de meeste toppers voort – van kinds af aan en op een loopfietsje oefenen zij al op parcoursen die voor de noordelijker Europeaan eigenlijk alleen begaanbaar zijn op lange latten en in de sneeuw.

Mijn neef Joël, geboren in Zwitserland en woonachtig aan het Vierwoudstrekenmeer in Brunnen, reed eind jaren negentig en begin 2000 WK’s tegen Bart Brentjens, de eenzame vaandeldrager van het Nederlandse mountainbiken. Joël stuurt me soms filmpjes van de capriolen die hij jaren na het beëindigen van zijn carrière in de bergen uithaalt op een vrije zondag; ik kan er amper naar kijken, zo waaghalzerig is het. In Nederland kan dit eigenlijk niet, al zou je het willen.

„Fysiek kunnen de Nederlanders altijd wel mee”, vertelde trainster Arielle Boek-Van Meurs eerder op de avond aan tafel bij familie Haitjema in Krommenie, waar de beloftevolle zoon Marten (19) zich met twee borden lasagne klaarstoomde voor de zware sessie die komen ging. „Maar de techniek”, zei ze, „daarop leggen ze het af. De parcoursen op wereldniveau zijn vaak veel en veel te lastig.”

Aantrekkelijker maken

Zo ging het ook in haar eigen carrière: ze miste kwalificatie voor de Olympische Spelen van Beijing (2008) en precies rond die periode begon wereldwielerbond UCI het mountainbiken te veranderen, om de sport aantrekkelijker te maken voor het publiek: de race werd gehalveerd, en in de parcoursen kwamen tal van hindernissen te liggen; hooibalen, stenen, schansen. Met alleen uithouding en een beetje stuurmanskunst kwam je er niet meer, en Boek-Van Meurs gaf er nadien ook de brui aan.

Marten Haitjema tijdens de training bij Schoorl. Foto Olaf Kraak

Mountainbikers van nu zijn naast atleten ook acrobaten die hun hand niet omdraaien voor sprongen van twee meter, waarbij het zaak is te durven vliegen, en in de lucht het lichaamsgewicht zo ver mogelijk naar achteren te verplaatsen om te voorkomen over de kop te slaan. Alle jongens en de dame die deze avond door de befaamde ‘Kuil’ van Schoorl denderen – aangekondigd met een rood uitroepteken, en waar een paadje langs is aangelegd voor de mindere goden – lijken dat te beheersen, maar hoe spectaculair het er ook uitziet als ze op hun stijve carbonframes over kuilen springen die ik al lopend moet ontwijken omdat ik zeker weet dat ik er over de kop zal slaan, het stelt niets voor vergeleken met de metershoge ‘drops’ die ze moeten maken in het wereldbekercircuit.

Achterste regionen

Als Nederlandse mountainbikers zich daar al voor kwalificeren, moeten ze zich veelal tevreden stellen met een plaats in de achterste regionen. Marten Haitjema, in de nationale regelmatigheidsklassementen NL Cup en 3 Nations Cup voorlopig tweede en derde, eindigde bij de wereldbeker van Albstadt (Duitsland) als 86ste, en in Nove Mesto (Tsjechië) als 79ste. Om gericht te kunnen trainen oefent hij zijn behendigheid op een bikepark in Spaarnwoude, maar beter nog trekt hij naar het buitenland, naar de Ardennen, en verder zuidwaarts. Hij bouwde in zijn achtertuin iets met een plank om van het terras af te kunnen springen, tachtig centimeter hoog. In drops en andere technisch lastige trucs moet je tijd steken, zegt zijn trainster. „Het is een ervaringssport. Je moet het heel veel doen.”

Dat wordt duidelijk als de trainingsgroep zich van De Kuil naar De Nok verplaatst, het hoogste duin van de omgeving, 48 meter boven NAP. Onderweg val ik twee keer om omdat ik mijn voet niet op tijd uit mijn klikpedaal krijg.

Er staat een ‘interval tot uitputting’ op het programma: zes keer maximaal tegen de Nok op klimmen tot je niet meer kunt. Als ik bezig ben aan mijn vierde keer ploeteren over boomwortels en door mul zand ondervind ik aan den lijve wat de Nederlandse beloften op dit terrein kunnen: Haitjema rijdt op het steilste stuk staand op de pedalen mimimaal twee keer zo hard omhoog, sprintend, alsof zijn leven ervan afhangt. Achteraf laat hij het zien op zijn vermogensmeter: de eerste keer reed hij een gemiddelde van 540 watt, ruim een minuut. Indrukwekkende cijfers voor een kerel van nog geen 70 kilo, tweedejaars student bewegingswetenschappen. Maar internationaal stelt het niets voor. De kloof met de wereldtop is ook voor hem haast onoverbrugbaar.

Het tijdperk na Brentjens (wereldkampioen in 1995, olympisch kampioen een jaar later) is er een van grote droogte geweest. Vandaar dat mountainbiken hier nog zelden op tv wordt uitgezonden. „Dat was destijds wel anders”, zegt Arielle Boek-Van Meurs. „De NOS was zelfs bij wedstrijden om de Topcompetitie. Dan maakten ze beelden en zonden ze ’s avonds een samenvatting uit.” Nu zijn van de landelijke competities slechts op Youtube beelden te vinden.

Mathieu van der Poel

Maar daar lijkt verandering in te gaan komen nu Mathieu van der Poel naast wegwielrennen en veldrijden ook van mountainbiken een serieus doel heeft gemaakt – een nieuwe vaandeldrager lijkt opgestaan. Het is de discipline waar hij in zijn achtertuin in het Antwerpse Kapellen het vrolijkst van wordt, want vol van uitdaging en gevaar. Hij bouwt schansen en andere hindernissen om aan zijn dagelijkse shot adrenaline te komen en wil in Tokio 2020 olympisch goud winnen op het onderdeel cross country, een wedstrijd rond de anderhalf uur lang en daarmee verwant aan het veldrijden, de tak van sport die Van der Poel domineert.

In het wereldbekerklassement hoefde hij dit jaar alleen Nino Schurter voor zich te dulden, de regerend olympisch kampioen en zes keer ’s werelds beste. De Zwitser is van aparte klasse, maar belangrijk daarbij is dat Van der Poel naast het mountainbiken ook wegwedstrijden bleef rijden, en niet zonder resultaat: hij werd Nederlands kampioen en tweede op het EK, won twee etappes in de Ronde van Noorwegen tussendoor. Bart Brentjens: „Als hij zich focust op één discipline kan hij olympisch goud winnen. Op dit WK is hij niet kansloos voor de titel.” Brentjens tipt ook Anne Tauber als kanshebber voor een WK-medaille bij de dames.

De mountainbike van Marten Haitjema tijdens de training in Schoorl. Foto Olaf Kraak

Geen zendtijd

Een WK dat door de NOS alleen in samenvatting zal worden uitgezonden, volgens woordvoerder Koen Adriaanse „omdat er geen zendtijd is op zaterdagmiddag”, het moment dat de cross country wordt verreden. Ook Eurosport zendt de wedstrijd met serieuze Nederlandse medaillekansen alleen online live uit, omdat de MotoGP van San Marino op hetzelfde moment valt en de omroep in die sport exclusieve uitzendrechten heeft. Ziggo is sinds dit voorjaar in het gat gesprongen en maakt werk van live-uitzendingen sinds duidelijk is geworden dat Van der Poel een serieus olympisch traject is ingeslagen.

Echte fans van de mountainbikesport kijken al jaren gratis via Red Bull TV, waar onder anderen Bart Brentjens „voor 400.000 viewers” het commentaar verzorgt. Mountainbike is volgens Brentjens op dat kanaal de beste bekeken sport, die bol staat van het spektakel en de spanning omdat een race vaak uitloopt op een gevecht van man tegen man. Potentie genoeg om veel groter te worden, zeker met 330.000 Nederlanders die wel eens op een mountainbike springen om door de bossen te crossen.

„Mountainbiken is goudeerlijk”, zegt trainster Arielle Boek-Van Meurs als ze na de martelgang op de Nok achter me aan rijdt richting een geasfalteerde splitsing, waar de groep met jonge mountainbikers al minuten staat te wachten. Ze is haar fietsschoenen vergeten en haar achterrem is kapot, maar evengoed blijft ze met speels gemak in mijn wiel hangen. Een doe-sport, herhaalt ze nog maar eens, terwijl ik over mijn stuur gebogen naar adem hap.

Terug op de parkeerplaats bij het pannenkoekenhuis Duinvermaak staat de 16-jarige Scott Baijs zich achter het bestelbusje van zijn moeder om te kleden. Hij won eind juli zilver op de NK in Apeldoorn, waar Van der Poel er een paar categorieën hoger met zijn derde nationale titel van het jaar vandoor ging. Mathieu is zijn grote voorbeeld, vertelt hij. „Echt een mannetje, mooi hoor”. Het is aan Van der Poel om de sport in Nederland weer op de kaart te zetten. Te beginnen met een medaille op het WK.

    • Dennis Boxhoorn