Nederland zakt door het droge veen

Veengrond

Venen kunnen prachtige natte natuurgebieden zijn waar bijzondere plant- en diersoorten groeien. In Nederland zijn bijna alle veengebieden drooggelegd, met inklinking en hoge CO2-uitstoot als gevolg. Vernatten stopt de daling. Dat levert niet alleen natuur op, ook geld.

Veengebied Bûtefjild, zuidwest van Dokkum, wordt weer nat. Foto Dinand van der Wal/De Beeldunie

Eén centimeter, elk jaar weer – zo veel daalt gemiddeld de bodem van een drooggelegd veen in Nederland. Geen goed nieuws voor een land dat gedeeltelijk uit veenbodem bestaat. „We zitten echt wel met een groot probleem”, zegt Bas van de Riet, veenonderzoeker bij onderzoekcentrum B-WARE in Nijmegen, een spin-off bedrijf van de Radboud Universiteit Nijmegen. „Half Nederland inclusief de Randstad ligt al enkele meters onder zeeniveau. Als we blijven doen zoals we gewend zijn te doen, dan blijven we steeds verder zakken.” In de afgelopen duizend jaar is Nederland zes meter gezakt.

Bas van de Riet en andere onderzoekers dringen erop aan om de venen weer te vernatten. In de vernatte venen kan je prachtige beschermde moerasnatuurgebieden ontwikkelen. Of er landbouw op bedrijven – wat decennia geleden nog onmogelijk leek.

„Het grootste deel van het oppervlak van het ontwaterde veen is in gebruik om iets te produceren”, legt van de Riet uit. „Je moet zorgen dat je iets alternatiefs kan produceren dat echter wel duurzaam is, zoals lisdodde als bouwmateriaal.”

Drooggelegd veen als akker of weide gebruiken is helemaal niet zo duurzaam als we denken, voegt hij eraan toe. „We realiseren het ons nauwelijks, maar als je melk in de supermarkt koopt die is afkomstig is van koeien die op veenweiden grazen, dan zitten daar gewoon heel wat kilo’s CO2-uitstoot per liter melk aan vast. In die zin dragen we allemaal bij aan bodemdaling.”

Koolstofreservoirs

Studio NRC

Dat zit als volgt. Veengebieden zijn natte landschappen die gevormd zijn door afgestorven en slechts gedeeltelijk verteerde plantenresten. Ze bevatten per oppervlakte onevenredig veel koolstof. Als je een veen drooglegt, komt de bodem in contact met zuurstof in de lucht. Bacteriën beginnen het organisch materiaal – dat zich duizenden jaren lang heeft gedeponeerd – af te breken. Rudy van Diggelen, oorspronkelijk uit Groningen en renaturatie-ecoloog aan de universiteit Antwerpen in België, vergelijkt het met een potje augurken. „Zodra je het opent en de vloeistof uitgiet, begint het te rotten. Hetzelfde gebeurt met een veen.”

De afbraak van organisch materiaal laat de bodem zakken, en er komt veel kooldioxide vrij: tot 30 ton per hectare per jaar. „Elke hectare landbouwgrond op veen stoot evenveel CO2 uit als een auto die 150.000 tot 200.000 kilometer rijdt – elk jaar!” zegt Rudy van Diggelen. „Daarvan kan ik heel lang met mijn oude camper rijden.” Volgens Wetlands International European Association, een vereniging van acht Europese ngo’s, is de CO2-uitstoot uit drooggelegde venen verantwoordelijk voor 5 procent van alle door de mens veroorzaakte CO2-emissies wereldwijd. In Nederland is meer dan 95 procent van alle veengebieden drooggelegd.

Maar het goede nieuws is: je kan er iets aan doen. Als je de bodem weer vernat, stopt het rotten. Verdere bodemdaling wordt voorkomen en de CO2-uitstoot wordt sterk gereduceerd.

Aan de universiteit Greifswald in het noordoosten van Duitsland maakt Franziska Tanneberger haar volgende experiment klaar. Ze heeft 108 bakken met veen voorbereid, waarin ze water giet, tot het veen volledig onder water staat. In die 108 mini-venen gaat ze planten onder verschillende condities telen. Samen met haar collega’s onderzoekt ze hoe de plantensoorten het beste biomassa produceren – zodat het voor een boer ook rendabel is.

Natte landbouw

Hier in Greifswald, in een gebied dat oorspronkelijk tot een derde uit venen bestond, hebben wetenschappers het concept bedacht van een natte landbouw, ook paludicultuur genoemd. De ideale oplossing volgens Tanneberger: „Het waterpeil wordt verhoogd, de CO2-uitstoot wordt radicaal en snel gereduceerd en deze gebieden blijven agrarisch productief. Je kan bepaalde planten telen, zoals lisdodde.”

Lisdodde is een tot ruim 2 meter hoge plant die normaal aan voedselrijke oevers groeit. Hij heeft een karakteristieke bruine sigaar aan het uiteinde van zijn stengels. Sommige bedrijven in Duitsland maken uit lisdodde een isolatiemateriaal of constructieplaten voor de woningbouw.

Op een vernat veen kan je ook riet aanplanten voor dakbedekking, of biomassa als brandstof voor verwarmingen. Of veenmos: dit soort planten is een goed substraat voor de tuinbouw en een alternatief voor turf. „De commerciële tuinbouw is nog steeds aangewezen op dit materiaal”, zegt Tanneberger. Turf voor potgrond komt uit natuurlijke venen die ervoor worden geëxploiteerd.

Hulp voor Nederland

Franziska Tanneberger’s baas is Hans Joosten, Nederlander uit Venlo en sinds de jaren 90 hoogleraar veenwetenschap aan de universiteit van Greifswald. Hij werkt nauw samen met wetenschappers in Nederland, en sinds kort ook met de overheid. „Provinciale Staten van Noord-Holland hebben besloten dat de bodem niet verder mag zakken,” vertelt hij. „Onlangs waren GS (Gedeputeerde Staten) en PS (Provinciale Staten) leden van Noord-Holland met een bus drie dagen bij ons te gast om mogelijkheden te bestuderen.”

Een doorgesneden stengel van de vochtminnende lisdodde. Foto Dinand van der Wal/De Beeldunie

In Nederland zijn sommige praktijkproeven al uitgevoerd. Bas van de Riet werkt aan een 6 hectare grote proefvlakte voor veenvernatting in het Ilperveld in Noord-Holland, genoemd “Omhoog met het Veen”. Samen met Landschap Noord-Holland proberen de onderzoekers hier veenmos op voormalige veenweidegrond te telen – en vonden dat dat werkt. „We hebben na vier jaar 10 centimeter dik veenmos groeien, het vormt een dichte mat.” Daarmee is het veen-ecosysteem gerevitaliseerd en de broeikasgasemissies zijn sterk verminderd.

Ook de Radboud Universiteit Nijmegen is bezig met het vernatten en bewerken van een proefgebied. Het ligt in Zegveld, midden in het Groene Hart. Hier planten de onderzoekers onder andere lisdodde aan, om het als veevoer voor koeien uit te testen. „Dat zou makkelijk zijn voor een boer als hij wilt overstappen naar paludicultuur,” zegt projectleider en postdoc Jeroen Geurts. „Dan kan hij eerst een stukje van zijn land onder water zetten en de lisdodde aan zijn koeien voeren. Die koeien eten het sowieso, dat is al duidelijk.” En vorige week startte een project in Driebruggen, bij Gouda. In twee jaar tijd wordt 450 kilometer aan drainagebuizen aangelegd op een gebied van ruim 300 hectare.

Proefveld Ilperveld. De hoge waterstand op deze voormalige landbouwgrond stopt de bodemdaling. De mossen leggen vervolgens koolstof vast, wat veenvorming bevordert.
Veenmossen op proefveld Ilperveld. In september 2013 werden veenmosstekken aangebracht op veengrond die eerder voor de landbouw was gebruikt.
Foto Bas van de Riet
Proefveld Ilperveld. De hoge waterstand op deze voormalige landbouwgrond stopt de bodemdaling. De mossen leggen vervolgens koolstof vast, wat veenvorming bevordert.
Foto’s Bas van de Riet

Landbouwwerktuigen voor het bewerken van een natte akker bestaan al, voegt Geurts eraan toe. Momenteel zijn veel boeren echter nog huiverig. Vooral biologische boeren staan open voor deze nieuwe vorm van landbouw.

Zoals vele veenonderzoekers vindt Rudy van Diggelen dat paludicultuur een ideale oplossing kan zijn. Maar hij weet ook dat zo’n verandering veel tijd nodig heeft, het zal niet in de volgende tien jaar gebeuren. „Tijdens een herstelproject zei een boer eens tegen me: ‘Mijn vader heeft dit allemaal met zijn hand ontwaterd, hij heeft al deze sloten met zijn spade gegraven – en dan komt u en gooit ze weer dicht.’ Dit is een emotioneel onderwerp, dat begrijp ik.”

    • Brigitte Osterath