Een week op een zandplaat, zonder mensen, maar met een zeehondje

Wadden Een plek in Nederland zonder mensen, slechts omgeven door natuur, bestaat dat nog? Ja, op een zandplaat: een week tussen bijna niets, met een klein zeehondje, moederziel alleen in de zon.

Het huisje op Richel, op een ponton met (drink)water. Er is elektriciteit, gas en een kouderegendouche. De wc spoelt met zeewater. Foto Saskia van Loenen

Dit is het dus. Een zandvlakte, oneindig groot. Water. Wind, véél wind. En een heel klein zeehondje. Het is gelukt. En dat eigenlijk dankzij het boek dat ik om de zoveel tijd uit de kast trek: Groeten van Rottumerplaat van Jan Wolkers. Jaloersmakend, dat boek. De ultieme natuurbeleving: geen mensen, enkel vogels. Als je toch eens zó een week op een verlaten eiland zou kunnen zitten, had ik meer dan eens verzucht. Maar Rottumerplaat, begin jaren 70 bezocht door Wolkers en in de week ervoor door Godfried Bomans (die er, in tegenstelling tot Wolkers, stukken minder lyrisch vandaan kwam en vooral leed onder de eenzaamheid), is niet meer toegankelijk.

Zou ik anders niet een keer een nachtje in de vogelaarshut op Griend kunnen verblijven, gooide ik maar eens een balletje op bij de beheerder. Nul op het rekest: het zou de vogels te veel kunnen verstoren. En toen was daar ineens een droomaanbod. Ik mocht wel naar Richel, een mij tot dan onbekende zandplaat in de Waddenzee, als ‘wadwachter’ voor Natuurmonumenten; met als belangrijkste taak ervoor zorgen dat bezoekers niet het beschermde deel – domein van vogels en zeehonden – zouden betreden.

En dan niet voor één nacht, maar voor een hele week. Niet in complete afzondering overigens; wadwachters moeten om veiligheidsredenen (de getijden – vloed komt altijd sneller op dan je denkt) altijd met z’n tweeën zijn. Maar met een niet al te drukke collega-wachter zou het toch mogelijk moeten zijn de rust, natuur en vooral de stilte te ervaren zoals Wolkers deed, bijna vijftig jaar geleden. In elk geval bij benadering.

Die rustige tweede wadwachter was gelukkig voorhanden. En zo voeren wij deze zomer met de Asterias, een boot van de Waddenunit – onderdeel van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit – in alle vroegte van Harlingen naar Richel.

Huilers

Van ver is ons tijdelijke optrekje – qua luxe en voorzieningen niet te vergelijken met het tentje van de heren schrijvers – al zichtbaar, het steekt opvallend hoog de lucht in met zijn twee verdiepingen, staande op poten op een groot ponton.

De eerste minuten op Richel maken meteen duidelijk dat we een compleet andere wereld betreden. Na het eerste zeehondje, liggend bij een paal op de grens van het beschermde, voor mensen verboden gebied, blijkt er nog een tweede te zijn: pal naast de trap aan het ponton. Een paar dagen ervoor had een storm meerdere jongen van hun moeders gescheiden, vertellen de wadwachters die wij komen aflossen. Jan Wolkers komt nu wel heel snel op ons pad – wie herinnert zich niet zijn ontmoeting met eerst een dode (zwangere) zeehond, en later het huilertje, dat hij met de moed der wanhoop probeert te voeren?

En dan probeerde ik het weer van opzij. Snuitje vast, bekje een beetje open en dan de slang tussen de scherpe tandjes proberen te krijgen. Op den duur ging zijn tandvlees ervan bloeden. Toen ik zo uren met hem bezig was begon ik te janken van machteloosheid.

Maar waar voor het zeehondje van Jan Wolkers een hele reddingsactie op touw werd gezet – het werd per helikopter opgehaald en naar de zeehondenopvang op Texel gebracht – liggen de zaken anno 2018, met een bloeiende zeehondenpopulatie, wezenlijk anders.

Nog dit jaar wordt waarschijnlijk officieel beleid waar de meeste natuurorganisaties in het Waddengebied nu al naar handelen: huilers of gewonde zeehonden – behalve wanneer de mens de oorzaak is – niet meer opvangen maar laten liggen. Ook als dit de dood tot gevolg heeft. We laten de natuur de natuur, is het credo. Het klinkt logisch en niet onredelijk.

Maar dat was de theorie. De praktijk is een uiterst lief, klein, grijs-wit zeehondje dat sinds deze ochtend moederziel alleen in een gigantische zandvlakte ligt, in de brandende zon. Met zijn grote ogen wint hij het pleit al zonder dat hij verder nog iets hoeft te doen. En dan is er nummer twee, met minstens zo grote ogen (hij is dan ook een slagje groter). De situatie rond deze huiler is zorgelijker: hij ligt hier al twee volle dagen. Bij vloed zwemt hij wat rond, soms houdt hij zich vast aan de trap; bij eb vlijt hij zich weer naast de trap.

Een van de twee huilers die op Richel lagen: dit zeehondje lag midden op de zandvlakte – op deze foto lag hij er al twee dagen.Foto Saskia van Loenen

Emoties uitschakelen zou nu het beste zijn – de dierenwereld ís hard. Maar een meeuw met een mank pootje is nog wel wat anders dan een hulpeloze kleine gewone zeehond, qua uiterlijk en aaibaarheidsfactor toch de Nederlandse panda. Wolkers spookt door mijn hoofd.

Ik heb lopen grienen van ellende. Mijn keel is dik van emotie. Omdat het lieve beest na een worsteling van vijf uur om hem wat te eten te geven alles weer heeft uitgekotst. (…) Zijn prachtige lieve vochtige ogen zijn zo groot als de knopen van een ouderwetse winterjas. (…) Ik zoende hem zelfs op zijn ronde smoezelige kopje. Vies?! Er zijn mensen die de hand van de paus kussen. Ik zoen liever de kont van een zeehond.

Gigantische wolken wulpen

De knop moet om. We zijn hier nog maar net, er is meer dan alleen zeehonden. Heel wat meer. Of eigenlijk: bijna niets. Precies waar ik naar op zoek was. Een lege vlakte, slechts heel in de verte begrensd door water, glinsterend in de zon. Schelpen, roze en paarse kwallen, joekels van krabben. Zeesla wappert als lichtgroen lint in het water en ligt, eenmaal ontkleurd door de zon, als wit plastic verspreid over het zand. Hier en daar een plantje zeekraal. Wind, die hier zelfs op mooie dagen onafgebroken om je oren suist. Meeuwen waar je maar kijkt, visdiefjes krassen, wulpen roepen. In de branding rennen tientallen drieteenstrandlopertjes op en neer. Elders zoeken bonte strandlopers en kanoeten op het natte zand naar voedsel. Tientallen, honderden. Duizenden.

Loop je helemaal naar de uiterste westpunt van het eiland (officieel heet het een zandplaat, maar voor ons is het een eiland), voorbij het punt waar ook geen schepen meer kunnen droogvallen, dan volgt het echte spektakel: gigantische wolken wulpen laten ons letterlijk happen naar adem. Zo’n tienduizend moeten het er zijn. Duizenden kanoeten, als een spreeuwenwolk naar links en naar rechts zwenkend. Lange slierten eidereenden, die prachtige grote beesten die altijd in een keurige lijn vliegen. Rosse grutto’s. Een slechtvalk suist over. Bij eb verschijnt een heuse oesterbank boven het wateroppervlak – vol mosselen en oesters, drukbezocht door vogels. Het lijkt of de bank zichzelf op slimme wijze beschermt tegen grijpgrage mensenhanden die hier hun dagelijkse oestervoorraad gratis denken te kunnen plukken: wie vlakbij is zakt plots weg in een zwarte, sterk zuigende drab – een soort drijfzand, veroorzaakt door de poep van de ontelbare wormen die hier in de grond leven. Mijn kompaan kan me nog net wegtrekken voor ik definitief mijn laars kwijtraak.

Lees ook Niet elke melancholisch kijkende zeehond is zielig

Aan de oostkant, richting Terschelling met zijn vanaf Richel altijd duidelijk waarneembare Brandaris (die ’s nachts als een gigantische discolamp de zee om de paar seconden in kleur zet), treffen we meer afval aan dan in het westelijk deel; het zal met de stromingen te maken hebben. Regelmatig lopen we met handenvol plastic jerrycans, huishoudflessen en andere troep terug naar het huisje. Ook slepen we ruim een uur met een loodzwaar kunststof visnet; maar laten liggen is geen optie, zo’n net des doods. We beuken tegen de wind in.

Omsloten door het water

Terwijl de veerboten naar Vlieland of Terschelling meerdere malen per dag langsvaren betreft de enige verdere regelmaat die deze week het leven bepaalt de getijden. Waar in de normale wereld de klok dicteert doet die hier nauwelijks ter zake, behalve in de zin van: hoe laat wordt het vloed, dus hoe laat moeten we terug zijn. Maar al het andere wat je normaal gesproken volgens ons urenstelsel doet (wanneer gaan we eten, koffiedrinken, douchen – met regenwater –, bellen, werken, pauzeren, slapen) wordt nu teruggebracht tot de vraag: wanneer wordt het eb. Bij vloed kun je letterlijk geen kant op: het huisje is aan alle kanten omsloten door het water, dat zich plots overal om je heen slingert – zó zie je aan één zijde nog een behoorlijke strook zand, zó golft het rondom en is je huis een soort olieplatform geworden. Het is zaak hier geen verwondingen of ander onheil op te lopen.

Foto’s Laura Zwaneveld
Fotograaf Laura Zwaneveld komt sinds 2011 op Richel als wadwachter. Sindsdien gaat bijna al het werk wat ze maakt over het wad. „Een plek die vrijheid, inspriatie, rust en ruimte geeft”, zegt ze.
Foto’s Laura Zwaneveld

In onze week kwam de vloed begin van de avond al op; veel meer dan eten en lezen zat er vanaf dat moment tot aan het slapen gaan niet meer in. En toch verveelde ik me geen seconde, laat staan dat ik ook maar een vleugje van de eenzaamheid van Bomans ervoer. Dankzij de uitzichten, die levende ansichtkaarten uit welk raam je maar keek. De zon die op het water glinstert. De kleuren die almaar veranderen. De ondergaande zon, die alles nog stiller maakt dan het toch al was. Je blijft kijken. En luisteren.

Dat is misschien nog wel het indrukwekkendst: het water dat komt en gaat, met een kracht waarvan je als vastelander het bestaan niet vermoedde. Nooit zal ik meer het geluid vergeten van de vloed die onverstoorbaar rond het huisje kolkt: een soort diep grommend ruisen zoals ik niet eerder hoorde. Een geluid waar je stil van wordt, omdat het je voor je gevoel nietig maakt.

Wel of niet helpen

Terug naar de zeehonden, een onderwerp dat we soms liever even meden. De telescoop vertelt ons echter meerdere malen per dag dat midden op de door de zon bijna lichtgevende zandvlakte nog altijd het kleintje ligt. En onderaan de trap nog altijd ‘onze’ zeehond (waarbij we zo dom waren het ook nog een naam te geven). Zodra hij ons hoort richt hij zijn kop op en hobbelt naar ons toe, niet bang maar nieuwsgierig – als ik een filmpje maak moet ik achteruit blijven lopen omdat hij zijn snuit bijna op mijn iPhone drukt. Hij ligt hier nu vier dagen, en lijkt wanhopiger te worden; hij zuigt aan de trap en ‘huilt’ af en toe hartverscheurend. Jan Wolkers had zijn zeehond met verdunde koffiemelk weten te voeren; zo rollebollen met het dier en in de houdgreep nemen durven wij niet, daarom zetten we een bakje met dezelfde inhoud voor hem neer. Hij doet er niets mee. Een blikje tonijn dan, in godsnaam? Het ruikt in elk geval naar vis. Geen interesse. Een paar groepjes mensen komen aanlopen vanaf hun drooggevallen schip. Vertedering en bezorgdheid alom. Discussie over wat te doen in zo’n geval; een deel zit op de lijn van het nieuwe beleid, anderen accepteren niet dat we een hulpbehoevend zeehondje zomaar zouden laten doodgaan. Ook wijzelf worstelen ermee; waarom zo’n dier niet helpen, terwijl de brandweer wel uitrukt voor een vastgevroren eend in de parkvijver? Wonderwel lost het probleem zich vanzelf op. De volgende ochtend zien we hem nog even, vrolijk zwemmend lijkt het wel, daarna is hij uit beeld. Eenmaal eb blijft het wad rond de trap leeg. Hij heeft het gered – dat is althans wat we denken. En waar we ons de rest van de week ook maar aan vasthouden.

De tweede huiler: dit zeehondje lag bij de trap naast het huisje van de wadwachters. Bij vloed zwom hij rondjes rond het ponton, bij eb vlijde hij zich weer naast de trap. Het liep goed af: op wat zijn vijfde dag hier was zwom hij in alle vroegte weg.
Foto Saskia van Loenen

Dat moet ook wel, om dat andere potentiële drama het hoofd te kunnen bieden. Het zeehondje in de volle zon. Op dag drie lopen we voor de zoveelste keer naar hem toe. Hij kijkt ons nieuwsgierig aan, maar als je hem probeert te aaien maakt hij een bijtbeweging als een fel hondje. Gehurkt bij hem zitten laat hij wel toe. We voelen ons machteloos; drie dagen lang heeft geen volwassen zeehond zich ook maar in de buurt vertoond. Ook helpt het natuurlijk niet dat hier überhaupt geen water bij komt. Zijn droeve blik laat niet onberoerd.

Ineens hobbelt hij weg

Die middag zien we vanuit het huisje hoe hij ineens een stuk van zijn vaste paal weg hobbelt, niet naar het dichtstbijzijnde water, maar naar de overkant – de brede zandvlakte op, waar anderhalve kilometer verderop de zeehonden liggen. Dat haalt hij nooit. Na 60 meter blijft hij liggen. Hij rolt op zijn rug. En weer op zijn buik. ’s Avonds leert een blik door de telescoop dat hij nog altijd op dezelfde plek ligt, in exact dezelfde houding. Ik weet genoeg. Hij is stervende, of al dood. Met zijn laatste krachten had hij onder onze ogen de ultieme poging gedaan zijn moeder te vinden. Ik schaam me er niet voor dat ik huil.

De volgende ochtend loopt mijn huisgenoot als eerste naar de telescoop. „Wil je het weten?”, klinkt het voorzichtig. Zeg het maar, ik weet het toch al, mompel ik. „Er wordt van hem gegeten.”

Lees ook: ‘De zeehond is een veel spannender roofdier dan de wolf’

Zijn ogen zijn eruit gepikt, als eerste. Maar dankzij de nu donkere gaten ziet hij er nog steeds min of meer hetzelfde uit. Het lijfje is nog zo goed als intact. Zodra we weglopen komen de twee meeuwen terug. Een jong eet van het zeehondje, zijn moeder houdt de wacht. Het gaat snel. De meterslange darmen die als strakke lijnen uit zijn lijf getrokken waren zijn de dag erop verdwenen. Niet lang daarna een schone ribbenkast. Het kopje blijft opvallend lang heel, evenals zijn als fluweel uitziende flippers. Na een paar dagen is het laatste aaibaarheidselement verdwenen en is ook de emotie weg.

Godfried Bomans schrijft in zijn Dagboek van Rottumerplaat slechts sporadisch over de dieren aldaar – meeuwen krijsen onophoudelijk en houden hem uit zijn slaap, daar komt het op neer. Wolkers daarentegen omarmt alles wat hij ziet, en hij ziet veel. Vooral de schoonheid ervan. Daarin herken ik me meer dan in het verhaal van Bomans. De laatste voelde zich overigens ziek, wat zijn ervaringen danig kleurde. Toch zag ook hij zeker de pracht van het eiland. Wel rept Bomans meerdere malen van de wind.

Ik word moe van al dat gebrul om me heen. Dit is iets waar ik helemaal niet op gerekend heb: het uitpúttende van voortdurend in de wínd te leven.

Daarin kan ik een eind met hem meevoelen. Ook vallen me, net als Bomans, eenmaal terug op de wal meteen de bomen op – die heb je daar niet. Ik hou van bomen en groen, en zou nooit permanent zonder kunnen. Maar die oneindige lege vlakte doet ook echt wat. Voor zo’n beeld moet een normaal mens naar een woestijn in een ver land. Hier ligt het gouden zand zomaar aan je voeten.

Een week waarin bijna niets gebeurt, met slechts eb en vloed, wadvogels en een enkele langszwemmende zeehond – duurt die niet eindeloos? Nee, kan ik nu uit eigen ervaring zeggen. Het was gelukkig meer Wolkers dan Bomans: de week is omgevlogen. Terug in het echte leven vol geren en gerace is dat wat ik het meeste mis: de opkomende vloed, die zich ineens dwingend laat horen en al het andere aan zich ondergeschikt maakt. De stilte die erop volgt. De rust. Laat alles los, ruist hij, geef je maar over: dit is wat het is. Richel is Rottumerplaat in het kwadraat.

    • Saskia van Loenen