Bioloog en blauwkeelara-beschermer Tjalle Boorsma, in de Amsterdamse Hortus Botanicus.

Foto Olivier Middendorp

De laatste ara’s op een boomeiland

Tjalle Boorsma bioloog Ze leken uitgestorven, maar de blauwkeelara’s leven nog, op hun beboste terpen. Bioloog Tjalle Boorsma probeert ze te beschermen.

‘Blauwkeel’ of ‘blauw-geel’ – het verschilt één letter, en een verbindingsstreepje. En op het eerste gezicht lijken de blauwkeelara en de blauw-gele ara ook wel op elkaar.

Allebei zijn ze blauw met een vleugje geel, allebei nestelen ze in boomholtes, allebei leven ze in Zuid-Amerika. Maar verder is het vooral een zoek-de-verschillen tussen beide papegaaiensoorten, vertelt bioloog Tjalle Boorsma. „De blauwkeelara is iets kleiner– ongeveer 80 centimeter van kop tot staart. Ook heeft-ie een minder prominente witte vlek op z’n wang. En hij heeft natuurlijk een blauwe keel. Geen zwarte, zoals de blauw-gele.”

Toch is het belangrijkste verschil tussen beide papegaaiensoorten niet af te zien aan hun lengte of hun verenkleed, maar aan hun plek op de Rode Lijst van IUCN. De blauw-gele ara komt door vrijwel heel Zuid-Amerika voor en heeft als status ‘niet bedreigd’, terwijl de blauwkeelara als ‘ernstig bedreigd’ te boek staat en alleen in een klein gebied in Bolivia leeft.

Boorsma werkt voor Armonía – de Boliviaanse vogelbescherming – en is voor het eerst sinds twee jaar terug in Nederland. We bevinden ons in het hoofdkantoor van IUCN-NL, op een steenworpafstand van Artis. Daar wonen sinds 2009 ook zes blauwkeelara’s, als onderdeel van een internationaal fokprogramma.

Barba azul heet de blauwkeelara in Bolivia – ‘Blauwbaard’. En Barba Azul is ook de naam van het 11.000 hectare grote reservaat dat Armonía in 2008 aankocht. „Twee keer zo groot als nationaal park De Hoge Veluwe”, zegt Boorsma.

Waarom komt de blauwkeelara juist dáár voor?

„De soort is endemisch voor de beni-savanne – een open, winderige grasvlakte, ongeveer drieëneenhalf keer zo groot als Nederland, met ‘boseilandjes’ her en der. Die eilandjes liggen verhoogd in het landschap, op oude terpen. Die zijn tussen de 4.000 en 8.000 jaar geleden aangelegd door een inheemse stam. Het is dus een heel gecultiveerd landschap. Op die eilandjes staan motacu-palmen, waarvan de vruchten de belangrijkste voedselbron vormen voor de ara’s. ’s Nachts overnachten ze in die palmen. Je kunt je voorstellen dat die bomen behoorlijk heen-en-weer zwiepen als het waait, maar daar hebben de blauwkeelara’s wat op gevonden: ze knagen de toppen van de bladeren eraf, zodat de bomen gekortwiekt zijn en ze minder wind vangen.”

Gaan die palmen dan niet dood? „De motacu-palmen kunnen wel tegen een stootje, maar de blauwkeelara’s zoeken wel ándere dode palmen op om te broeden– Mauritiuspalmen en coyolpalmen, lokaal ook wel grugru genoemdbijvoorbeeld. Die groeien in moerasgebied: van november tot en met mei, staan de lage delen van de steppen onder water. De dode palmen vormen één lange staak, en in het zachte vermolmde hout maken ze een nestholte. Ze knagen een bestaand gat met de snavel wat bij, zodat het groot genoeg is om in te broeden. Dat is in het harde hout van de motacu-palmen veel lastiger.”

In de jaren tachtig werd de blauwkeelara uitgestorven gewaand, in 1992 werd de soort herontdekt. Hoeveel vogels zijn er nu?

„Herontdekking is altijd een lastig begrip – 1992 was het jaar waarin westerse biologen een paar paartjes tegenkwamen en er een wetenschappelijk artikel over schreven. Maar voor de lokale bevolking is de soort nooit uitgestorven geweest. Binnenkort brengen we een artikel uit waarin we het aantal blauwkeelara’s tussen de 430 en 480 individuen schatten.”

Hoe beschermen jullie de blauwkeelara’s?

„Onder andere door ze te voorzien van voldoende nestkasten, die we aan de palmen bevestigen. Er zijn twee populaties blauwkeelara’s: een noordelijke en een zuidelijke. Die zuidelijke populatie heeft pas sinds dit jaar een eigen reservaat, maar we zijn daar al in 2005 met een project begonnen om nestkasten te installeren. Sindsdien zijn er al 76 jongen uitgevlogen. Vorig jaar zijn er voor het eerst ook jongen teruggekomen om te broeden.

„Onderaan de bomen plaatsen we een soort blikken krans, zodat er geen roofdieren de boom in kunnen. Maar er zijn natuurlijk nog genoeg natuurlijke vijanden over. Toekans en opossums die eieren stelen... Laatst hebben we zelfs een volwassen blauwkeelara gevonden die gewurgd was door een boa constrictor.„We begonnen met nestkasten met grote holtes, maar die gingen andere vogelsoorten – waaronder de blauw-gele ara en de reuzentoekan – ook gebruiken. Daarom hebben de gaten nu een doorsnede van 10 centimeter. Net groot genoeg voor de blauwkeelara, niet voor de blauw-gele ara.”

Is het puur een kwestie van voldoende nestruimte?

„Niet alleen. Er worden nog altijd jonge ara’s uit nesten geroofd, voor de illegale vogelhandel – veel mensen willen een papegaai als huisdier. En daarnaast werden er jaarlijks honderden ara’s afgeschoten door lokale bevolking, die de staartveren in hun traditionele hoofdtooien verwerkten. Dat is nu gelukkig vrijwel verleden tijd – een paar jaar geleden hebben we vanuit Armonía een wedstrijd georganiseerd voor de beste methode om ‘alternatieve veren’ te ontwikkelen. Het winnende model was een palmnerf met daaromheen gekleurde doeken. We hebben laatst een telling gedaan, en in 95 procent van de gevallen worden de hoofdtooien nu met die nieuwe, duurzame veren gemaakt.

„De grootste bedreiging voor de blauwkeelara’s is momenteel habitatverlies. Niet zozeer door ontbossing, maar door het platbranden van de savannes. Het merendeel van de beni-graslanden is privébezit en jaarlijks steken de boeren hun grond in brand om op die manier de vruchtbaarheid van de bodem te vergroten. Daarbij gaan ook veel van de palmen verloren, waardoor er minder broedruimte is – en de bomen die overblijven, zijn minder aantrekkelijk omdat de ara’s er in de rook zitten.”

Kunnen jullie samenwerken met de boeren?

„Daar zijn we mee bezig. In Bolivia is onlangs een lastig landhervormingsplan doorgedrukt, waarin staat dat ieder stuk land een economisch of sociaal doel moet hebben – geen ecologisch doel dus.

„Ook onze 11.000 hectare moet dus economisch gewin opleveren. Ecotoerisme, zoals in Colombia en Brazilië veel te vinden is, valt er niet onder. En dus willen we ons samen met de boeren gaan richten op duurzame veeteelt, waarbij we rotatieschema’s gebruiken – niet alle grond wordt voortdurend gebruikt, waardoor de bodem niet uitgeput raakt en afbranden dus onnodig is. We hopen ze op die manier te laten zien dat natuurbescherming hand in hand kan gaan met een grotere opbrengst.”

Dus in het beste geval is jullie aanwezigheid straks niet meer nodig?

„Op den duur zal ik me meer op andere gebieden gaan richten, ja. Bijvoorbeeld op de droge valleien, waar de bedreigde roodwangara voorkomt. Er zijn nog altijd een paar bedreigde vogelsoorten in het grasland – de puntstaarttiran, de hanenstaarttiran en de Boliviaanse kuifgors – maar over het algemeen gaat het steeds beter in het reservaat, niet alleen met de blauwkeelara’s, maar ook met de gordeldieren, de manenwolven, de reuzenmiereneters... Laatst is er zelfs voor het eerst een jaguar gezien.”

    • Gemma Venhuizen