Opinie

Beste gestreste studenten,

Open brief schrijft dat de stress die studenten voelen de schuld is van de universiteit

Studenten wonen in Ahoy Rotterdam de opening van de Eurekaweek bij, de introductieweek voor nieuwe studenten van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Foto Jerry Lampen/ANP

Oei, wat hebben jullie het zwaar. Tijdens jullie vakantie sloegen studentenartsen alarm over de psychische klachten waarmee jullie je bij hen vervoegen: vermoeidheid, concentratieproblemen, angstaanvallen, piekeren, slaapproblemen en depressie. En dan drinkt 90 procent van jullie ook nog ‘risicovol’ (meer dan vijftien glazen alcohol per week). Verder scoren jullie bijna allemaal wel eens een ritalinnetje. Daar ‘sta je gegarandeerd vier uur strak van’ en niet weinigen van jullie geloven dat dat het studeren ten goede komt.

Veel deskundigen haastten zich te verklaren dat de druk die jullie ervaren om voldoende studiepunten in de wacht te slepen, de juiste vakken te kiezen en een mooi cv op te bouwen slechts onderdelen zijn van het enerverende leven dat jullie leiden. Naast jullie studie hebben jullie een baantje, doen aan sport, zijn lid van een club of een vereniging, hebben een familie die aandacht vraagt en zien jullie je onophoudelijk voor de vraag gesteld of jullie garderobe, uitgaansleven en vakantiebestemming wel instagrammable zijn.

Toch moet de oplossing voor al die drukgerelateerde problemen volgens velen komen van de instellingen waar jullie je van een mooie toekomst hopen te verzekeren: de universiteiten en hogescholen. Het is echter zeer de vraag of daar het heil vandaan moet komen. Sterker nog: (en dat is wat ik in deze brief wil bespreken) is de door jullie ervaren prestatiedruk misschien een gevolg van twintig jaar studeerbaarheidsbeleid?

Intensieve studentenhouderij

OK, ‘studeerbaarheid’ is niet een sexy begrip. Maar ik kan er niet om heen als ik jullie wil laten begrijpen hoe de universiteit veranderd is van het modderige weitje waar ikzelf als student in rondscharrelde tot de intensieve studentenhouderij waarin jullie moeten zien te overleven.

Het begrip studeerbaarheid werd op de agenda gezet door de commissie die in 1992 het rapport ‘Te doen of niet te doen?’ uitbracht, met als ondertitel ‘Advies over de studeerbaarheid van onderwijsprogramma’s in het hoger onderwijs’. Het betekende in eerste instantie dat je je studie moet kunnen doen in de tijd die ervoor staat. Drie jaar later gebruikte minister Ritzen dat studeerbaarheidsidee om er de prestatiebeurs mee door te drukken. Ritzen verplichtte elke universiteit en elke hogeschool een ‘kwaliteitsmanagementsplan’ op te stellen. En schreef voor dat ‘verbetering van kwaliteit en studeerbaarheid’ permanent deel moest gaan uitmaken van de ‘reguliere planvorming van universiteiten en hogescholen’.

Het minst tastbare, maar meest verstrekkende effect was dat de machtsverhoudingen binnen de universiteiten er fundamenteel door veranderden: ze braken de macht van het docentencorps. Tot het midden van de jaren negentig konden professoren hun schouders ophalen over wat de universitaire managers allemaal bekokstoofden, maar het kwaliteits- en studeerbaarheidsbeleid dwong hen in het gareel en degradeerde hen (zeker op onderwijsgebied) tot beleidsuitvoerders. De managers begrepen instinctief dat de van hogerhand opgelegde plicht een kwaliteits- en studeerbaarheidsbeleid te initiëren een godsgeschenk was in hun pogingen het eigen bestaan te legitimeren en eindelijk greep te krijgen op dat arrogante en ongezeglijke docentenvolk.

Paard van Troje

Jullie – althans jullie voorgangers – hebben bij die machtsverschuiving een cruciale rol gespeeld. Geïntimideerd door het vooruitzicht van de prestatiebeurs hebben jullie het paard van Troje van het studeerbaarheidsbeleid de universiteit binnen helpen rijden. Jullie weten wat een ‘monsterverbond’ is? Als ik het tijdens college vroeg opperden jullie dat het iets te maken had met de schaal (‘monsterachtig groot’) of de verwerpelijkheid (‘monsterlijk’) van het verbond. In feite betekent het woord niets meer en niets minder dan een opportunistische alliantie tussen partijen met tegengestelde belangen.

Jullie alliantie met de bestuurderen is zo’n monsterverbond. Jullie echte belang is goed onderwijs - en omdat dat ook het belang van jullie docenten is zijn zij jullie natuurlijke partners. Maar in plaats van voor dat echte belang kozen de studentenorganisaties van destijds voor een opportunistische coalitie met de managers die ervoor moest zorgen dat studenten konden afstuderen in de tijd dat ze studiefinanciering kregen.

Zijn jullie er met die wisseling van de wacht (van autoritaire professoren naar tirannieke kwaliteitsbewakers) op vooruitgegaan? Om die vraag te beantwoorden is het goed even stil te staan bij het feit dat het de opstellers van het rapport ‘Te doen of niet te doen?’ niet gelukt was een positieve definitie van studeerbaarheid te geven. Noodgedwongen volstonden zij met: ‘het ontbreken van voor de studie belemmerende factoren.’ Als jullie nu in lachen uitbarsten kan ik dat jullie niet kwalijk nemen – want inderdaad: de belangrijkste studiebelemmerende factor zijn jullie zelf – en jullie zullen desondanks niet aan de universiteit willen ontbreken. En als jullie al niet een studiebelemmerende factor zijn, dan is het de studie zelf wel. Het opwerpen van belemmeringen is precies wat een studie tot een studie maakt: elk college, elk practicum, elk tentamen en elke scriptie is een bergetappe, en aan het eind van al die bergetappes zijn jullie boven.

Rammelende definitie

Omdat de studeerbaarheidsprofeten zelf ook wel in de gaten hadden dat de definitie rammelde, legden zij uit dat het hen vooral ging om ‘onbedoelde’ en ‘onnodige’ belemmeringen. Daarmee koppelden zij het begrip niet alleen los van alles wat met jullie te maken had, maar maakten zij ook duidelijk dat studeerbaarheid heel goed te verenigen is met het stellen van hoge eisen. Het gevolg van deze definitieherziening was dat studeerbaarheid alleen nog maar betrekking had op de manier waarop de universiteiten hun onderwijs organiseerden.

Veel van de belemmeringen vielen met eenvoudige organisatorische ingrepen uit de weg te ruimen. Sommigen echter waren ‘beleidszwanger’: er viel jarenlang beleid op te voeren, er konden nota’s over worden geschreven, mensen voor worden aangesteld en instituten en commissies voor worden opgericht. In reactie op het autoritaire onderwijs van voorheen – waarin jullie waren overgeleverd aan de willekeur van jullie docenten – gingen de universiteiten zwaar inzetten op wat ze de ‘studentgecentreerde benadering’ noemden.

Waar dat ‘studentgecentreerde’ onderwijs, bedoeld om jullie meer bij jullie studie te betrekken, op uit is gelopen weten jullie uit eigen ervaring. Een aanwezigheidsplicht, studiehandleidingen die met juridische precisie formuleren wat er van jullie wordt verwacht, handboeken die precies voorschrijven hoe opdrachten gemaakt moeten worden, werkgroepen die veel weg hebben van huiswerkklasjes, onderwijs dat niet meer om het lijf heeft dan het bespreken van modelantwoorden op vragen die thuis zijn voorbereid, wekelijkse toetsen, afijn, jullie weten het beter dan ik. Niet weinigen van jullie komen er desgevraagd rond voor uit zo’n keurslijf eigenlijk wel prettig te vinden. Een student: ‘Het is natuurlijk ook wel veilig zo. Je wordt aan de hand van de docent vlotjes door de stof geleid. Als je het hele programma netjes volgt, kan er niet veel fout gaan. Dan weet je dat je na vier jaar klaar bent.’

‘Klassen’ en ‘huiswerk’

Ik wil het hier, in deze brief aan jullie, niet hebben over het feit dat de universiteit voor de meesten van jullie inderdaad een soort school light is – inclusief ‘klassen’ en ‘huiswerk’, maar exclusief zesurige werkdag en strafwerk. Als jullie willen snappen waarom jullie in die studeerbare, studentgecentreerde opleiding waar jullie zo vrolijk voor hebben ingetekend zo’n contraproductieve prestatiedruk ervaren, moeten jullie eerst en vooral beseffen dat de universiteit, alle retoriek over studentgecentreerd onderwijs ten spijt, niet echt oog voor jullie heeft. Jullie hebben het je destijds niet gerealiseerd, maar toen jullie aarzelden en twijfelden welke studie jullie zouden kiezen – toen bekommerde de universiteit zich om jullie. „De wil van de aankomend student regeert”, schrijft Casper Thomas, en dat is zeker waar. Zoals het ook waar is dat jullie die macht verloren op het moment dat jullie de eerste tranche van jullie collegegeld betaalden. Eenmaal binnen zijn jullie het ruwe materiaal dat zo snel mogelijk naar de uitgang geloodst moet worden.

Lees ook: Studielast is niet de oorzaak van studentenstress

De druk die jullie ervaren is goeddeels een gevolg van het feit dat de universiteit vanaf het moment dat jullie binnen zijn alles op alles zet om jullie zo snel mogelijk de universiteit weer te doen verlaten. De moderne universitaire manager is te herkennen aan het vermogen jullie niet als in- of output, maar als throughput te zien. Hij beschouwt de universiteit als een chemische industrie, waarin de aangeleverde grondstoffen (jullie dus) door een labyrintisch buizenstelsel worden gepompt, waarin onderweg ‘waarde wordt toegevoegd’ en waar het van het allergrootste belang is lekkage en obstructie van het buizenstelsel te voorkomen. Jullie snappen dat in de metafoor ‘lekkage’ staat voor studieuitval en ‘obstructie’ voor studievertraging.

Dat brengt me bij de paradoxale situatie waar twintig jaar studeerbaarheidsbeleid ons gebracht heeft. Jullie hebben het enerzijds loeizwaar, terwijl het anderzijds bijna onmogelijk is om te zakken – althans: niet door te stromen. Jullie hebben het zwaar omdat jullie voortdurend achter de vodden gezeten worden met toetsjes en opdrachtjes die moeten voorkomen dat jullie afhaken, terwijl ik anderzijds alleen maar kan beamen wat ‘studiecoach’ Kinge Siljee in april van dit jaar in de Volkskrant zei: „Ik moet de student die uitvalt omdat hij het niveau niet aankan nog tegenkomen”.

Toetsjes en opdrachtjes

In veel studierichtingen is de praktijk dat studenten vooral afvallen omdat ze de uitputtingsslag verliezen. Realiseren jullie je dat die uitputtingsslag van de kant van de instellingen gevoerd moet worden door jullie docenten? En dat het voor hen ook een uitputtingsslag is? Zij zijn degenen die al die toetsjes en opdrachtjes moeten nakijken en van opbouwende feedback moeten voorzien, zij zijn – belangrijker nog - degenen die jullie moeten laten doorstromen naar een volgende sector van het universitaire buizenstelsel. Ik weet niet of ik hiermee een geheim verklap, maar de druk om jullie te laten doorstromen is zo groot dat wie werkelijk wil – en over voldoende doorzettingsvermogen en sociale vaardigheden beschikt – de uitputtingsslag met zijn docent zal winnen. Het feit dat veel van jullie docenten er vroeg of laat onderdoor gaan is het complement van de prestatiedruk waar jullie onder gebukt gaan.

De maandag door de minister voorgestelde verlaging van het aantal punten dat jullie in het eerste jaar moeten halen is daarom een erg slecht idee. Niet alleen zal het voorstel de druk niet verlagen (maar hoogstens verschuiven) maar het plan gaat bovendien volkomen voorbij aan de oorzaak van het probleem. Die oorzaak is dat het stelsel zo is ingericht dat universiteiten alles uit de kast halen om jullie te laten doorstromen.

Het enige wat werkelijk zal helpen om de prestatiedruk bij studenten en de werkdruk van docenten te verminderen is een herwaardering van vertrouwen. Gebrek aan vertrouwen heeft jullie docenten uitgemergeld en ligt ten grondslag aan de manier waarop de moderne universiteit met jullie omgaat. Ik zou zeggen: weg met de bestuurlijke bemoeizucht. Wie vertrouwen geeft zal toewijding oogsten.

Succes,

Jullie gedeserteerde docent Eelco Runia.