Recensie

Op een nacht rijdt hij per ongeluk een Eritreeër dood

Ayelet Gundar-Goshen Het wordt al een tv-serie, deze tweede roman van de Israëlische die met haar debuut internationaal doorbrak.

Foto iStock

Leeuwen wekken is de tweede roman van psycholoog en (film)schrijver Ayelet Gundar-Goshen (1982), die voor haar debuut Eén nacht, Markovitsj een grote Israëlische debuutprijs ontving en alom werd geprezen om de sprookjesachtige, haast magisch realistische en ook humoristische verteltrant. Met Leeuwen wekken schrijft ze een rauwer, feller boek, met een sappig chantageplot.

Etan Green, hersenchirurg, racet om van zijn chagrijn af te komen met zijn jeep door de woestijn nabij Beër Sjeva. Hij weet nog net voor een stekelvarken te remmen maar rijdt vervolgens wel een Eritrese man dood. Hij vlucht. De volgende dag staat Sirqit voor z’n deur, de weduwe van de gestorven vluchteling. Zij hoeft geen geld, maar voortaan moet hij op afroep beschikbaar zijn om in een garage medische hulp te verlenen aan Eritrese vluchtelingen.

Wat volgt: de moeite die Etan moet doen om zijn geheime leven te verbergen voor zijn vrouw (die de kwestie als rechercheur onderzoekt), het jatten van medicijnen, de spanning tussen Sirqit en Etan, het riskeren van een carrière, iets met drugssmokkel en corruptie, een kogelregen en het feit dat Etan naast arts en echtgenoot ook vader van twee jonge zoons is.

Uitlegdrang

Het is niet verwonderlijk dat Leeuwen wekken op verschillende plaatsen als thriller is omschreven. Het zit met die spanning, dankzij een vernuftige plot, ook wel goed. Tenminste: als de moraal niet voor vertraging zorgt. Niets mis met wat diepgang, zou je denken. Maar het lijkt wel of Gundar-Goshen bang was dat de lezer een wijze les zou missen, en vanuit die angst in een bijzonder nadrukkelijke uitlegdrang verzandde. Niet alleen wordt de plot belicht vanuit zo’n beetje alle gezichtspunten (Etan, zijn vrouw Liat, Sirqit, enkele andere personages), ook komt zo nu en dan de verteller ineens te voorschijn als een duveltje uit een doosje, of liever nog als een koor dat in tragedies even alles samenvat voor het publiek. Dus middenin de rit door de woestijn word je getrakteerd op een innerlijke monoloog van de arts, over het liefdevolle begrip tussen hem en zijn vrouw. Tijdens een ruzie over het al dan niet opereren van een patiënt op een roestige tafel word je deelgenoot gemaakt van Sirqits mijmeringen over de rol van huidskleur in de aantrekkingskracht tussen haar en Etan. Als Liat druk bezig is met haar politieonderzoek, snelt de verteller ineens aan om hardop te benadrukken dat ze ‘niet ziet wat er voor haar neus ligt, omdat ze niet echt kijkt’. Om geen twijfel te laten bestaan over het hoe en wat van emoties en beweegredenen der personages, wordt ook ieders jeugd uitvoerig beschreven in flashbacks en gedachtestromen.

Je krijgt alles van links, rechts én van boven voorgeschoteld, alsof de schrijver steeds als je je even mee dreigt te laten voeren met het verhaal door de ruimte tettert: ‘Maar alles is heel genuanceerd! Niets is zwart-wit! Tevens: privilege gender macht klasseverschil huidskleur!’

Nu is het belegen adagio ‘show, don’t tell’ schromelijk overschat. Dit, echter, is het andere uiterste – het kan geen kwaad om af en toe iets aan de lezer zelf over te laten. Het helpt ook niet dat Gundar-Goshen in een poging ook iedere zintuiglijke sensatie te ontleden, de plank nogal eens misslaat. Etan die wordt ‘geroosterd door de bevroren vlammen van de tl-buizen’. ‘Irissen’ die zich in hem boren, in plaats van een blik. Een ‘membraan, een placenta die de dingen die Etan ziet gescheiden houdt van de dingen die hij niet wil zien’. En kunnen ‘naakte, blootliggende neuronen’ echt glanzen in het licht van de maan? Kunnen krekels te zweterig zijn om te tjirpen? Ronduit afleidend, dit soort vragen tijdens het lezen, en zonde van die in potentie bloedstollende plot.

In de VS wordt gewerkt aan een tv-serie naar Leeuwen wekken. We kunnen alleen maar hopen dat de spanning overeind blijft en er geen verteller de studio binnenwandelt. Zelfs niet voor een heel klein uitlegje.

    • Roos van Rijswijk