Opinie

    • Michel Krielaars

Op de Balkan is de literatuur overal

De laatste etappe van mijn imaginaire reis door de wereldliteratuur voert me naar de Balkan. Sinds een paar dagen ga ik daarom geheel op in Miljenko Jergovic’ roman Rod, die ik lees in de Duitse vertaling met de titel Die unerhörte Geschichte meiner Familie. Het 1144 bladzijden dikke epos gaat over een familie in het door oorlogen geteisterde Joegoslavië van de twintigste eeuw, dat getekend wordt door een gewelddadig nationalisme. Leefden in Joegoslavië in vredestijd Bosnische moslims, Kroaten, Slovenen, Serviërs, Hongaren, Joden, Schwaben, Duitsers en Italianen vriendschappelijk naast en met elkaar, toen de oorlog uitbrak vielen de muren van de beschaving ineens om.

Jergovic geeft een mooi voorbeeld van die vreedzame samenleving als hij vertelt over zijn katholiek gedoopte oom Dragan, die op de lagere school in een Bosnisch stadje de enige niet-moslim is. Wanneer zijn klasgenoten in het eerste lesuur naar de moskee gaan om godsdienstonderricht te krijgen, blijft hij alleen achter. Zijn vader wil echter niet dat zijn zoon geïsoleerd raakt en vraagt aan de onderwijzer of Dragan ook mee mag naar de moskee. Het gevolg is dat de jongen een andere wereld leert kennen en na vier jaar de koran en de islamitische gebeden net zo goed kent als zijn klasgenootjes, zonder zijn eigen achtergrond te verloochenen.

Miljenko Jergovic (Sarajevo, 1966) kan bogen op een voor een schrijver gunstige etnische mix. Dankzij zijn Duitse, Kroatische, Sloveense en Bosnische wortels is hij een onpartijdige waarnemer en een ideale analyticus van het bloedige verleden van zijn land. Zijn oeuvre, een combinatie van fictie en non-fictie, doet denken aan dat van zijn landgenoot Danilo Kis (1935-1989), een van mijn favoriete schrijvers. Alleen daarom al is het een genot om hem te lezen.

Voor mijn Balkanreis neem ik ook het werk van de Italiaanse schrijver Claudio Magris ter hand. In 2014 zocht ik hem op in het Antico Caffè San Marco, het koffiehuis in Triëst waar hij aan zijn vaste tafeltje zijn boeken schrijft en zijn post beantwoordt. Toen we het over de Balkan kregen, stuurde hij me naar Istrië, omdat daar een vergeten deel van de Italiaanse geschiedenis ligt. In zijn onlangs in het Engels vertaalde Journeying voert hij me opnieuw naar dat schiereiland in de Adriatische Zee. In deze bundel literaire reisverhalen vertelt hij onder meer de geschiedenis van de etnische zuivering van de honderdduizenden Italianen die tussen 1944 en 1954 uit Istrië werden verdreven.

In 1920 hadden de geallieerden dat gebied aan Italië toegewezen, waarna Mussolini er een gedwongen italianisering doorvoerde, die met deportaties en onteigening gepaard ging. Na 1944 namen Tito’s partizanen wraak op de Italianen, zonder onderscheid te maken tussen de collaborateurs met de fascisten en de Italiaanse families die al eeuwenlang in Istrië woonden. Ze werden verdreven en sleten hun dagen in vluchtelingenkampen.

Voor Magris is die geschiedenis reden voor een waarschuwing: ‘Een vertrapte natie die opnieuw opkomt geeft de vrije hand aan een agressief nationalisme, dat zonder uitzondering geweld toelaat waarbij de rechten van anderen worden geschonden.’ Je kunt zoiets vandaag de dag niet vaak genoeg zeggen. Alleen daarom al zou zowel zijn boek als dat van Jergovic in het Nederlands moeten worden vertaald.

    • Michel Krielaars