‘Ook de jongens willen tutu’s aan’

Prins Claus Prijs

De Zuid-Afrikaanse ballerina Dada Masilo is de eerste winnaar van de Prins Claus Next Generation Prijs. Met haar herinterpretaties van klassieke balletten is ze volgens de jury „een voorbeeld voor jongere generaties”.

Foto Roger Cremers

‘Passion’ zegt de tattoo die onder haar horlogebandje uitpiept. En zo is het. Dada Masilo (Soweto, 1985) is danseres. Choreografe. Vernieuwer. Verteller. Feministe. Durfal, ze eigent zich onverschrokken de bekende klassieke balletten toe. Als iemand de Prins Claus Next Generation Prijs als „een voorbeeld voor jongere generaties” verdient, dan is zij het. Op 6 december krijgt ze hem uitgereikt. Nu is ze even in Amsterdam en ze vertelt, met handen als vlinders en de lach van een denker.

Het Zwanenmeer was het eerste ballet dat ze zag. „Ik was twaalf en meteen verliefd, op het sprookje, de tutu’s, op de spitzen, zoals elk meisje. Maar niet voor mijzelf. Een zwart meisje in een klassiek ballet? Onmogelijk.”

In 2010 maakte ze haar eigen Zwanenmeer. Het sprookje verboog ze tot een actueel verhaal over vooroordelen, de klassieke stijl impregneerde ze met Afrikaanse dans.

„Mijn Zwanenmeer gaat over acceptatie van anders zijn. Over gender-stereotypen, over het taboe op homoseksualiteit. Iedereen is in tutu. Jongens willen ook tutu’s aan, die willen ook mooi zijn. Bij mij zijn de tutu’s niet star, ze bewegen mee. Dat heb ik van de rokken van de Afrikaanse Tsonga-cultuur. Hun dans komt voort uit de beweging van de rok. Ik dans een schattige, bedeesde Odette die smoor is op de prins. Maar de prins is gay. Hij houdt van Odile [de zwarte zwaan] – dat is een man en hij danst op spitzen.”

Wil je zelf nooit op spitzen?

„Als kind vond ik het magisch. Maar toen ik het op school leerde, was het helemaal niet magisch. Ik had geen vel meer op mijn tenen. Ze zeiden: daar wen je aan, maar dat wilde ik niet. Al die pijn, ik zag niet in hoe dat ergens goed voor was.”

Ze vertelt over de ontdekking van de Europese klassieke muziek: „Voor mij is Tsjaikovski’s muziek heel aards. Toen ik met het Zwanenmeer begon, dacht ik: dit wordt moeilijk. Maar nee, dat was het helemaal niet. Tsjaikovski’s muziek was erg GROOT, maar zo geweldig, het kostte me geen moeite. Afrikaanse dans gaat naar de grond, klassieke dans wil eraan ontsnappen, zeker in het Zwanenmeer. Ik reageer op de muziek als ik dans maak en de Afrikaanse dans paste er vanzelf bij. Ja, dat is vreemd, dat vond ik ook.”

Dada Masilo is opgevoed door haar oma, samen met haar zus. „Mijn moeder werkte. Ik weet wie mijn vader is, maar hij was buiten beeld. Zuid-Afrika heeft helaas die traditie van afwezige vaders.” Ze begon met dansen bij een groep in de buurt. „Ze heetten The Peacemakers en ik mocht meedoen. Hoekige dans, op Michael Jackson en zo.” Een jaar later werd ze aangenomen op de National school of Arts in Johannesburg. „Dat was heftig. Ik spreek Xhosa en Zulu, en daar moest ik Engels leren. En of dat niet moeilijk genoeg was, kwam daar ook nog Shakespeare bij. Ik haatte het. Wat ís dit?”

Foto Roger Cremers
Foto Roger Cremers
Dada Masilo: „Bij mij zijn de tutu’s niet star, ze bewegen mee met de dans, net als de rokken in de Afrikaanse Tsonga-cultuur.”
Foto’s Roger Cremer
Foto’s Roger Cremer

Toen ze negentien was, werd ze uitgenodigd voor P.A.R.T.S., de dansopleiding van Anne Teresa De Keersmaeker in Brussel. Eervol. Maar: „Dat was moeilijk. Ik was zo jong en erg ver van huis, de cultuurschok was enorm. En daarbij maar zes maanden zon per jaar. Ik was danser. Ik haatte choreografie, nog steeds eigenlijk, want het is zo moeilijk. Maar in Brussel moesten we zelf choreograferen: Macbeth, met mijzelf als Lady Macbeth. Dankzij een ongelooflijke leraar ben ik voor Shakespeare gevallen. Hij schonk me begrip. Dankzij hem baseerde ik mijn eerste eigen ballet op Romeo en Julia.”

Je vertaalt negentiende-eeuwse klassieke Russische balletten naar je eigen stijl. Je combineert en interpreteert.

„Ik wilde weten wat de klassieke balletten te zeggen hebben. Ik wilde ze toegankelijk maken voor een veel breder publiek, inclusief mijzelf. Maar je moet de regels kennen voor je ze kunt breken. Ik heb de verschillende personages in mijn lichaam gezocht en gevonden. Julia is onschuldig. Carmen is onberedeneerd brok gevoel. Odette is schattig. En mijn ‘Stervende zwaan’ is gebroken.

„Ik doe nu Giselle. Het speelt zich af op het Zuid-Afrikaanse platteland. De muziek combineer ik met met Afrikaanse muziek. Niet dat ik daar zo dol op ben, ik heb dat mijn hele jeugd gehoord, maar in die setting moest er zang bij. En drums.”

Giselle sterft van verdriet in de fameuze ‘waanzinscène’. Hoe pak jij die aan?

„Waanzin is meer dan gek doen en je haar los gooien. De gemeenschap keert zich tegen haar en ze trekken haar de kleren van het lijf: mijn waanzinscène doe ik topless. Kwetsbaar, puur en klein. Ze kruipt steeds dieper in zichzelf, tot ze sterft van verdriet. Helemaal alleen. Ik breek met het romantische slot, bij mij redt Giselle prins Albrecht niet, ze vermoordt hem. Ik denk dat het niet de eerste keer is dat hij een vrouw heeft verraden. Hij is een hufter. Hij verdient geen genade.”

Kreeg je daar commentaar op?

„De balletten die ik aanpak, zijn heel bekend. Ik laat Albrecht vermoorden en ik weet dat het me niet door iedereen in dank zal worden afgenomen. Maar moet hij per se blijven leven omdat dat altijd zo geweest is? Als dat zo is, dan zijn we gehersenspoelde schapen: probeer nou maar niets nieuws, dat is veel te eng.”

En wat nu? Petroesjka?

„Nee, oh nee! Ik ben nu de choreograaf die de klassieken herinterpreteert. Abstract heb ik nooit gewerkt, ik wil een verhaal, altijd. Maar dat betekent niet dat ik dat blijf doen. Nee, ik ben nu klaar met de klassieken. Ik ben bezig met Stravinsky’s Le Sacre du Printemps. Geweldige muziek, maar wat doe ik mezelf aan. Pina Bausch deed het fantastisch en ik snap niet hoe ze het voor elkaar kreeg. Ik wil het doen omdat het het moeilijkste is wat ik ooit zal aanpakken.

„De Sacre heeft een tribale kant. Het stuk gaat over rituelen en ceremonie. Twee jaar geleden deed ik al een korte versie, daar was ik ontevreden over. En nu kan ik het aan, denk ik. Ik wil er een dans uit mijn eigen cultuur, Tswana, bij betrekken, ik ben bezig hem te leren. Hij is gebaseerd op het stokstaartje. Met heel elegante bewegingen, complex, niet te snel, niet uitbundig. Heel anders dan ik normaal gesproken dans. Ik ga helemaal terug naar waar ik vandaan ben gekomen. En daarna? Weer terug naar Shakespeare, denk ik. Maar welk stuk, dat weet ik nog niet.”

    • Joyce Roodnat