Recensie

In zijn nieuwste roman is Grunberg grilliger dan ooit

Arnon Grunberg

In Goede mannen herken je de sterke kanten van Arnon Grunbergs schrijverschap. Maar waarom blijf je dan verlangen naar een betere of zelfs heel andere Grunberg?

Illustratie Gijs Kast

Op de negenennegentigste bladzijde van zijn nieuwe roman doet Arnon Grunberg iets ongebruikelijks, iets wat je niet echt met een roman van Grunberg associeert. Hij heeft zijn hoofdpersonage, een Limburgse brandweerman die door iedereen ‘de Pool’ genoemd wordt, laten uitrukken voor een ‘springer’. Op bladzijde achtennegentig arriveren ze ter plekke: ‘De intercity naar Amsterdam stond stil op het kleine station waar hij normaal gesproken langsraasde.’ De zelfmoordenaar blijkt Borys, de puberzoon van de hoofdpersoon. ‘De Pool duwde de ploegchef opzij, hij duwde Beckers opzij, iedereen duwde hij opzij en hij ging als eerste het spoor op. Hij zou zijn jongen van de rails krabben.’ Ongebruikelijk maar waar: Grunberg ontroert.

Dat is niet alleen verrassend omdat het in een Grunbergroman ongewoon is, maar ook omdat de eerste honderd bladzijden van Goede mannen wel wat redenen herbergen om niet zo héél erg mee te leven met de hoofdpersoon. We leren de Pool kennen als onderdeel van de ‘C-ploeg’ van de brandweer, wat ‘stuk voor stuk fatsoenlijke mannen waren die niets anders wilden dan fatsoenlijk zijn, met het hart op de juiste plaats’. Hij is bij de brandweer gegaan om mensen te redden, ‘omdat hij ervan overtuigd was dat brand geblust moest worden, dat je het redden van mensen niet aan god of aan andere mensen moest overlaten, dat je het zelf moest doen’. Ook ambieert hij ‘een goede vader te zijn’, en een goede echtgenoot, die weet dat het ‘belangrijk’ is ‘om je vrouw een tongzoen te geven als je 24 uur in de kazerne was geweest’. Alles op orde.

Hoewel hij Geniek Janowski heet, leeft de Pool naar zijn bijnaam, en doet dat ook voor de lezer. Met die benaming wordt hij gereduceerd tot onderdeel van een soort én afwijking van de (Nederlandse) norm ineen. Nauwelijks is hij een individu. Dat ontmenselijkt hem enigszins, maakt hem tot een hol vat met hersens, behept met diepgewortelde ‘beschaafde’ overtuigingen – een typisch Grunbergpersonage. Hij mag dan brandweerman zijn, maar als karakter, als type verschilt hij amper van uitgever Jörgen Hofmeester uit Tirza (2006), majoor Anthony uit Onze oom (2008), econoom Roland Oberstein uit Huid en Haar (2010), architect Sam Ambani uit De man zonder ziekte (2012), psychiater Otto Kadoke uit Moedervlekken (2016), of van al die anderen.

De Pool is net als zij – en misschien nog wel een graadje meer – eerder een personage dan een mens. Eerder een idee, een rol, dan een persoon. Een hedendaagse Elckerlyc, al is hij er eentje met een migratieachtergrond (vader kwam uit Polen, moeder was een Duitse). Hij denkt in aangeleerde rationele formules, kent precies zijn beweegredenen, gedraagt zich steevast naar zijn redeneringen en is dus volledig te doorzien, te doorgronden.

Kreupele zorgpony

Nu bevinden we ons in een roman, dus kun je de schrijver misschien moeilijk kwalijk nemen dat zijn romanpersonage een romanpersonage is. Bovendien: Grunbergs romans zijn laboratoria van de heersende moraal, die bestudeerd, opgerekt en uitgeprobeerd wordt, vaak geïroniseerd. Meestal gaat het om de specifieke moraal van de geprivilegieerde West-Europese man, die beschaafdheid en beschaving hoog in het vaandel heeft en zich daarnaar gedraagt. En dan duikt er pech op, wordt de man in kwestie beproefd en blijkt het laagje beschaving dat over de chaos en gekte ligt dun, dan wordt de illusie doorgeprikt. Dat laatste kan prikkelende literatuur opleveren, het is de kracht van Grunbergs oeuvre, maar ook uitdraaien op iets voorspelbaars. Niets zo vaak ontmaskerd als beschaving, niets zo vaak doorgeprikt als een illusie.

Lees ook: Fans kruipen 24 uur dicht tegen Arnon Grunberg aan: ‘Heeft er al iemand seks?’

Daarom intrigeert die ontroering door Goede mannen. De Pool heeft, ondanks zijn leegheid en voorspelbaarheid, je medeleven. Want hij hád nog zijn best gedaan voor zijn eenzame, depressieve puberzoon. Hij had gezien dat er iets mis was: Borys poepte steeds maar in zijn broek. Hij had, dacht hij, een remedie gevonden: een zorgpony (een kreupele zorgpony, maar soit). Maar wat hij deed binnen de kaders van zijn beperkte en rechtlijnige goede-mannen-denken, hielp niet tegen de chaos en gekte – en die onmacht eist een slachtoffer.

Die verwikkelingen tonen in een notendop het onderzoeksonderwerp van Goede mannen: het failliet van de man die een ‘goede man’ denkt te zijn. En failliet is de Pool, na de zelfdoding van zijn zoon.

Het vreemde is: de roman gaat dan nog vierhonderd bladzijden door. Er begint een nieuw deel, een nieuwe verhaallijn, met een nieuwe spanningsboog, en vanaf dan heb je zo’n beetje iedere honderd bladzijden weer het gevoel in een nieuwe Grunbergnovelle verzeild te raken. Eerst is er de lijn over de pony – de Pool moet iets met het dier, dat als door een wonder genezen is van zijn kreupelheid en toch niet ineens afgedankt kan worden, wat de dood zou betekenen, het slachthuis. Eigenlijk moet de Pool natuurlijk iets met zijn rouw, met het verlies. Uiteindelijk belandt de pony toch in het slachthuis. De Pool is weer failliet.

Importbruiden

Daarna komt de echtgenote van een collega troost bieden aan de Pool – wat ze in het beklijvendste geval poogt te doen door hem anaal te penetreren met een naaldhak. Daarop zegt dat de Pool de samenleving vaarwel door het klooster in te gaan, waar hij een kippenhok betrekt. Waarna, teruggekeerd naar zijn gezin, zijn huwelijk strandt en er een lijntje volgt met een datingreis naar Oekraïense importbruiden. Goede mannen overtreft zo De joodse messias (2004) als Grunbergs grilligste roman. En toch: ergens klinkt het allemaal bekend.

Illustratie Gijs Kast

De onvergetelijkste cameo die Grunberg recentelijk maakte, was in de dichtbundel Habitus van Radna Fabias, de bundel die bekroond is met de C. Buddingh’-prijs 2018 voor het beste poëziedebuut. Fabias’ lange gedicht ‘aantoonbaar geleverde inspanning’ kun je goed lezen als een vilein, cynisch relaas over wat een nieuwkomer tegenkomt bij zijn integratie in Nederland. Daarin somt Fabias op waarmee die nieuwkomer moet kunnen omgaan. Een lange lijst, van ‘de bureaucratie’ tot ‘de doorzonwoning’ en ‘de xenofobie‘, maar tussen neus en lippen, tussen ‘de geluidsoverlast’ en ‘het glazen plafond’ staat er ook: ‘de alomtegenwoordigheid van arnon grunberg’.

Nu is dit niet per se de plaats om iets verzuchtends op te merken over Grunbergs daverende productie van columns, rubrieken, essays, recensies en krantenseries – een roman hoeft niet beoordeeld te worden op wat de schrijver buiten de kaften van zijn boek doet. Maar die ‘alomtegenwoordigheid’ wordt op een net andere manier in herinnering geroepen, namelijk: in Grunbergs werk is Grunberg zo ontzettend aanwezig. En in Goede mannen nog wel een graadje meer.

Arnon Grunberg en Claudia de Breij ontmoeten elkaar in de Belgische kustplaats Oostende. De schrijver en de cabaretier praten over relaties, seks en wereldpolitiek. Lees ook: ‘Ik begrijp je wel, maar ik gelóóf je niet’

Ten eerste door de verwikkelingen, die aan eerder werk doen denken. De onmacht van de Pool als vader van pubers lijkt sprekend op de vaderrol uit Tirza, het huwelijksleven echoot ergens dat uit de De asielzoeker. Er duikt een ‘mensenknecht’ op, wat aan de psychiatrieroman Moedervlekken herinnert, en dat woord alleen al aan Grunbergs jarenlange Vrij Nederland-column ‘de Mensendokter’. En zat er niet ook een paard in Huid en Haar? En wanneer werd er ook alweer eerder anaal gepenetreerd met een voorwerp? Of verzin ik die herinnering, omdat het zó typisch Grunbergiaans voorkomt?

Ten tweede door het ruwe materiaal voor deze roman – waar het bezwaar misschien toch raakt aan die alomtegenwoordigheid op buitenliteraire terreinen. De researchprojecten uit Grunbergs krantenseries zijn eenvoudig te herkennen: het slachthuis, de Oekraïense bruidspeurtocht, het Limburgse klooster. Met dat klooster doet Grunberg in Goede mannen overigens iets opvallends. Wat de Pool er meemaakt krijgen we alleen samengevat en secundair te horen, in een brief en beschrijvingen achteraf. Dat brengt een enorme versnelling in de roman. Alsof er ingegrepen is, gedacht: deze lijn moesten we maar niet uitwerken, dat klooster was een aardig idee, en als gegeven heeft het een functie in het verhaal, maar daar moesten we het maar bij laten.

Steriel en voorspelbaar

Zo’n afslanking was op meer plaatsen welkom geweest, om dezelfde redenen. Het zou een evenwichtiger roman hebben opgeleverd, die meer een geheel zou zijn, minder een reeks episodes. En misschien ook minder een uitwerking van een idee in een literair laboratorium, waar het toch wat steriel en voorspelbaar aandoet.

Daaraan draagt ook Grunbergs stijl bij: zinnen waarin nooit uitzonderlijke registers aangeboord worden, maar wel uit duizenden te herkennen zijn als zinnen van Grunberg. Het zijn malende herhalingen die tonen hoe taal het denken stuurt, en dat het denken álles is voor zijn personages. Consequente redeneringen zijn het, die absurd uitpakken, maar toch niet onlogisch worden. Zoals: ‘Ze huilde nog steeds en hij hield niet op zich af te trekken want hij was een man van eer, een man die zijn belofte nakwam, een man die begeerte kon afdwingen als het moest.’

Je kunt zeggen: deze zin op bladzijde 221 van Goede mannen had net zo goed honderd bladzijden verderop kunnen staan, of heel ergens anders in Grunbergs oeuvre. En dat is misschien zo, maar wat maakt het uit? Want het blijft toch Grunberg, Goede mannen is een roman waarin je de sterke kanten van zijn schrijverschap kunt herkennen. Maar de zwaktes – de onevenwichtigheid, de voorspelbaarheid, de juist onverwachte ontknoping, die veel meer had kunnen schrijnen dan hij doet – maken dat je verlangt naar een betere Grunberg, of een andere Grunberg.

Dat is nog het sterkst bij de ontknoping: daarin wordt de migratieachtergrond van de Pool ineens van tragische betekenis, iets wat in de aanloop ernaartoe nog wel een stuk onontkoombaarder had mogen voelen. Het reliëf dat hij dan krijgt maakt hem ineens een individu, een mens, van wie je bijna vergeten was dat hij Geniek Janowski heette. Zoals de niet helemaal doorgrondelijke Borys menselijk was – en misschien was het dáárom wel ontroerend, omdat je niet meevoelde met de vader, de Grunbergman, maar met de zoon.

En zoals een anonieme, zwijgende Oekraïense vrouw menselijk was. Zij heeft een piepklein rolletje, ze komt en gaat binnen twee bladzijden. Over haar tekende Grunberg de zin op: ‘Vervolgens pakte ze uit haar boodschappentas een klein Oekraïens vlaggetje en begon daarmee te zwaaien.’ Dat is zo ongerijmd dat je haar niet meteen kunt duiden. De Pool probeert het, ‘hij vermoedde dat de oudere dame een soldate was, of een vrouw van een soldaat’, et cetera, maar zeker weten doet hij het niet. Ze blijft een raadsel, zonder oplossing. En zoiets blijft je dan bij.

    • Thomas de Veen