Opinie

    • Georgina Verbaan

Flitsdonderflits

Op een verlaten dorpsplein sta ik stil. Het regent. Al een tijdje. De haan op de kerk lijkt niet onder de indruk. Mijn jas is doorweekt maar dat deert niet. De regen is niet echt. Ik weet dat omdat ik achter George aanren. Die kleine gluiperige George Clooney met zijn gladde lakschoentjes. Ik zag hem net nog de hoek om rennen, om glibberen eigenlijk, zo langs de barbier met zijn ronddraaiende zuurstok in wit-rood-blauw. De gele huid en botten van zijn iele borstkas schenen door zijn witte overhemd. In de Middeleeuwen kon je bij een barbier ook je tanden laten trekken. Voor je het wist stond je met een frisse coupe en dito bek je keelgat weer vol gefermenteerd bier te gieten in een plaatselijke herberg. Ook voor een stukje aderlating draaide de vakman zijn hand niet om. Wat dat betreft zou ik die rottige George daar wel even naar binnen willen duwen. Maar ik zie hem niet. „GEORGE!”

De regen klettert fabrieksmatig neer, alsof er overal evenveel moet vallen. Iedere plas water die zich op de versleten kinderkopjes vormt wordt een universum op zich. Mijn voeten staan in zo’n plas en ik kijk naar mijn schoenen, versleten gympies met vieze veters. Bellen vormen in de plas. Tot mijn onderbroek doorweekt, word ik nog overspoeld door een gevoel van medelijden, met druppels. De druppels die geen bel vormen. De plas wordt inktzwart en licht dan op. Als op een röntgenfoto vertakt de bliksem zich over het weerkaatsende oppervlak. In een grote bel zie ik de kerktoren weerspiegeld en het silhouet van een smerig klein ventje. DONDER. „George, kom van die kerk af”, zeg ik, niet al te hard. Hij verstaat me wel. „Hoger! Hóger!”, gilt hij maniakaal terwijl hij doorklimt.

Zijn onderbroek komt boven zijn pantalon uit. Gênant

FLITSDONDERFLITS „Ik heb hier geen zin in George.” Hij blijft klimmen. Zijn onderbroek komt boven zijn pantalon uit. Gênant. „Pak me dan! Als je kan! Hahaha!” Zo vermoeiend. „Nee, ik doe het niet. Ik ga je niet pakken George.” Hij stopt met klimmen. Over zijn schouder kijkt hij me aan. Ik blijf staan met mijn armen langs ons lijf. We haten het als een van ons blijft staan met de armen langs ons lijf. „Ok”, roept hij met een onvrede die het tegendeel bewijst, en hij maait met één handje driftig in de lucht. „Stop maar! Stop maar!”

De regen houdt op en de zon breekt door. Vogels kwetteren, mos en paardenbloemen vormen zich versnelt tussen de kasseien. „Waarom speel jij niet mee?” Hij hangt nog steeds aan de toren. „Ik vind het geen leuk spel.” Hij haalt een streng haar voor zijn ogen weg. „Dat is geen argument.” „Hoezo niet?” Hij ademt viezig door zijn open mond terwijl hij naar beneden klimt, springt het plein op en loopt op me af. „Je speelt gewoon het spel dat er is, ok? Zo werkt het. Je hoeft niet alles leuk te vinden.” „Ik heb er geen zin in.” Hij staat nu recht voor me en kijkt naar me op. „Zin bestaat niet, je…” Snel sla ik mijn armen om zijn borstkasje heen, til hem op en druk hem zo hard mogelijk tegen me aan. Een ribje knakt. „Hebbes!”, roep ik. Hij loopt paars aan. „Gewoon meespelen, George.”

    • Georgina Verbaan