Recensie

Debussy was een snob uit overtuiging

Claude Debussy

De Franse componist Debussy liet een spoor na van niet nagekomen contracten, verbroken vriendschappen, tot wanhoop gedreven vrouwen, en een schuldenberg, die hij nauwelijks kon overzien. Zijn biograaf Stephen Walsh laat zien dat alles moest wijken voor de muziek.

Getty Images

Claude Debussy typeerde een kunstenaar treffend als ‘een mens die vertrouwd is met dromen en die te midden van schimmen leeft.’ Zo iemand was ongeschikt voor het reguliere maatschappelijke leven, schreef hij in 1910 mismoedig aan zijn uitgever. ‘Om mij heen weigert men halsstarrig te begrijpen dat ik nooit in de werkelijkheid van dingen en mensen heb kunnen leven, met als gevolg een onbedwingbare behoefte om mezelf te ontvluchten in avonturen die onverklaarbaar zijn, omdat ik er een mens laat zien die men niet kent en die misschien mijn beste deel is!’

Waarschijnlijk waren de opgelopen spanningen in zijn tweede huwelijk, met Emma Bardac, aanleiding voor deze zeldzame persoonlijke ontboezeming. Debussy (1862-1918) was een nogal in zichzelf gekeerde man, die met tegenzin in het openbaar verscheen en al helemaal geen muziek schreef om in zijn eigen ziel te graven. Zelfs bij uitvoeringen van Pelléas et Mélisande, de opera die hem in 1902 wereldfaam bezorgde, liet hij zelden zijn gezicht zien. Het geheime deel van zijn leven, zijn kunst, bleef voor zijn naasten moeilijk benaderbaar. Ook voor zijn latere biografen zijn de man en zijn muziek soms lastig met elkaar te rijmen.

Zo secuur, precies en toegewijd als hij was in zijn muziek, zo slordig heeft Debussy geleefd. Hij liet een spoor na van niet nagekomen contracten, verbroken vriendschappen, tot wanhoop gedreven vrouwen, en een schuldenberg, die hij nauwelijks kon overzien. Op persoonlijk vlak was hij bereid zichzelf veel, zo niet alles te vergeven. Maar als componist weigerde hij elk compromis en bleef hij eindeloos aan zijn stukken slijpen.

Zijn jongste biograaf Stephen Walsh (1942) stelt in zijn voortreffelijke Debussy. A Painter in Sound met Britse nuchterheid vast dat bij Debussy alles en iedereen, met uitzondering van zijn aanbeden dochtertje Chouchou, moest wijken voor de muziek. De man moest soms een botte hork zijn, zodat de fijnzinnige componist kon leven.

Debussy plaatste zich zelfbewust in een Franse muziektraditie die niet draaide om zijn zieleroerselen, maar om fijnzinnigheid en sensuele schoonheid. Een geslaagde compositie was voor hem een volmaakt vormgegeven object, geen verhaal, laat staan een bekentenis. Zijn muziek is eerder een masker dan een zelfportret. Hij was een snob uit overtuiging met aristocratisch dédain voor elke vorm van retorische nadrukkelijkheid. Dat stond hem zo tegen in de muziek van Wagner, hoewel hij nooit helemaal uit de schaduw wist te ontsnappen van diens Tristan und Isolde en Parsifal. Ook vanuit zijn gedistantieerde esthetiek is dus niet zo gemakkelijk een verband te leggen met zijn persoonlijkheid. Een componist die beweerde bittere tranen te hebben geplengd bij het componeren nam hij niet serieus. Zulke gevoelserupties beschouwde hij als ‘geouwehoer’.

Toch is de verhouding tussen Debussy en zijn muziek niet helemaal gehuld in nevelen. Dat uitgerekend hij de componist was die de Franse kunstmuziek – en de Europese – een vitale nieuwe impuls gaf, berust ook weer niet op louter toeval. Dat houdt verband met zijn bijzondere sociale achtergrond en maatschappelijke positie. Hoewel hij opklom tot de toppen van het Franse muziekleven, bleef hij toch ook altijd een buitenstaander.

Afkomstig uit een bescheiden milieu wist hij dankzij zijn uitzonderlijke talent als twaalfjarige door te dringen tot het conservatorium. Hij doorliep vervolgens alle stappen in het hiërarchische, competitieve Franse elite-onderwijs, tot en met het winnen van de Prix de Rome, de hoogste onderscheiding voor aankomend componeertalent. Maar innerlijk hield hij altijd afstand tot academische conventies. Het enige criterium dat hij in zijn werk liet gelden was smaak. Meer in het bijzonder: ‘mijn smaak’.

Even eigenheimerig was zijn dédain voor de oogkleppen van de beroepsmusicus, die voor de muziek leeft. Debussy speelde fabuleus piano, maar hij had geen interesse in een carrière als virtuoos. Hij las fanatiek de dichters van zijn tijd en verklaarde ‘evenveel van schilderkunst te houden als van muziek’. Zo ontwikkelde hij zich tot insider – een expert en vakman, die zich zelfbewust als ‘anti-dilettant’ presenteerde - én tot zelfverkozen buitenstaander. Het was een ideale voedingsbodem voor het ontketenen van zijn muzikale revolutie. Volgens zijn bewonderaar Pierre Boulez begint de moderne muziek op 22 december 1894, bij de première van Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faun, nog steeds een van zijn geliefdste stukken.

Walsh legt ook aan niet-musici helder de technische en muzikale vernieuwingen uit, die aan Debussy’s muziek zo’n gewichtloze, abstracte, ongrijpbare schoonheid geven. Zijn biografie verscheen ter gelegenheid van de 100ste sterfdag van de componist. Zo’n jubeljaar is nog wel eens aanleiding voor nogal plichtmatige publicaties. Daar is bij Walsh geen sprake van.

    • Peter de Bruijn