Opinie

    • Ellen Deckwitz

Donkerder vogels

Maandag schreef ik een column waarin ik ervoor uitkwam dat ik me de laatste tijd niet zo goed voel. Het gaat qua werk, gezondheid en mooie-mensen-aandacht prima, maar er hangt over de dagen een steeds groter grauwfilter.

Pas ’s avonds dacht ik: floks, mijn ouders weten nog van niks. Best lullig als ze dit via de krant moeten ontdekken. Zeker omdat ze me bij vorige depressies fantastisch hebben opgevangen.

Ik belde mijn moeder die al na dertig miljoen keer overgaan opnam.

„We hebben net Ankie en Herman tegen de vlakte gebridged!” juichte ze. Ik legde haar zo beknopt mogelijk uit dat er de volgende dag een column zou verschijnen waarin ik toegeef evenveel levensvreugde te hebben als een slak in een bak strooizout.

„Moet je zoiets wel in de krant zetten?” vroeg ze zacht.

„Ja. Er rust nog steeds zo’n taboe op.”

„Maar moet je dan per se zeggen dat het over jezelf gaat?”

Met die opmerking liep ik de rest van de avond rond. Die deed pijn, omdat ik hem begreep. Als ouder wil je dat het goed gaat met je kind. Je schenkt iemand het leven omdat je hoopt dat hem/haar een mooi bestaan wacht, vol liefde, lol en geen diabetes. Als je je nageslacht vervolgens droef door de dagen ziet sjokken, breek je. Mijn neefje van twaalf, die ik help opvoeden en als mijn eigen zoon beschouw, heeft zware stemmingswisselingen. Het is moeilijk om zijn somberte niet persoonlijk op te vatten. Als (co-)ouder voel je jezelf aansprakelijk voor zowel het geluk als het verdriet van je kinderen. Je hebt iemand ongevraagd op de wereld gezet. Niemand kiest ervoor om te worden geboren, maar eenmaal hier proberen de meesten er maar het beste van te maken, en als je mazzel hebt (dat wil zeggen: wanneer je behoort tot dat relatief kleine deel van de mensheid dat beschikt over de eerste paar treden van de Maslow-piramide) voel je je doorgaans niet superberoerd en soms zelfs blij en daar neem je dan maar een foto van.

Wanneer je kinderen zo erg in het donker zitten dat ze zich er geen raad meer mee weten, bekruipt je toch het gevoel dat je hebt gefaald. Toen ik mijn neefje voor het eerst vasthield voelde ik een liefde die aan agressie grensde.

„Niemand gaat jou pijn doen”, fluisterde ik, „ik zal je beschermen tot mijn laatste snik.” Zijn zachte schedeltje bedekte ik met kussen. Toen ik ontdekte dat de pijn tussen zijn oren zat, voelde ik me machteloos.

Zo machteloos voelt mijn moeder zich, waar ik me dan weer machteloos over voel en zij vervolgens ook weer. En zo vormen we een oneindige Escher-prent waarin vogels overgaan in steeds donkerder vogels.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz