Recensie

DNA kan heel veel níét

Erfelijkheidsleer

Twee biologen verzetten zich tegen de overtuiging dat al onze eigenschappen opgetekend zijn in ons DNA. Een actuele discussie.

Foto iStock

Het is een van de vele raadsels in de natuur: bij zeepaardjes wordt het mannetje zwanger, niet het vrouwtje. Waarom is dat zo? Is dit een erfelijke kwestie, dus genetisch bepaald, of speelt de omgeving een rol, misschien zelfs een beslissende?

De grote evolutiewetenschapper Charles Darwin gaf ruiterlijk toe dat hij geen ‘snars begreep van de mechanismen van overerving’. En nu krijgen we ‘van alle kanten stellige waarheden over DNA om de oren geslingerd’, stellen biologen Thomas Oudman en Theunis Piersma in De ontsnapping van de natuur. Een nieuwe kijk op kennis.

De overtuigingskracht van het boek schuilt in de riante hoeveelheid voorbeelden, van Darwin tot de tijd van nu. De kritische blik van de wetenschappers nodigt uit na te denken over ons alledaags taalgebruik. Waarom zeggen we zo makkelijk: „Het zit in ons DNA?” Wie weet wat het betekent, mag het zeggen.

Verzet

De biologen verzetten zich tegen de overtuiging dat ‘al onze eigenschappen ‘‘opgetekend” zijn in het DNA’. Als je hier goed over nadenkt en scherp waarneemt in de vrije natuur, dan blijft hier niets van over. DNA (desoxyribonucleïnezuur) is een biochemisch molecuul dat fungeert als belangrijkste drager van erfelijke informatie. Om het zeepaardje nog even als uitgangspunt te nemen: als je de vraag naar zwangere mannetjes in het laboratorium stelt, dan staat het antwoord vast: de zwangerschap van mannetjes is een kwestie van DNA. Maar wat verklaar je hiermee? Eigenlijk niets. Ergens in de evolutie ligt het omslagpunt, bijvoorbeeld in de omstandigheden in de zeeën, waardoor zwangerschap overging van vrouwtje op mannetje. Beiden hebben een bevruchtende rol in de voortplanting, zo betrekkelijk is het: ‘Beiden spuiten hun geslachtscellen het water in en laten het dan voor wat het is’.

De ontsnapping van de natuur bestudeert het feit dat nieuwe ontdekkingen in de natuur leiden tot nieuwe vragen, eerder dan tot antwoorden.

De studie van Oudman en Piersma begint op onbewoonde zandplaten en geulen van Mauretanië, de subtropische Banc d’Arguin aan de Atlantische kust. Hier verblijven jaarlijks op hun trek steltlopers, zoals de kanoet, die op het eerste gezicht allemaal gelijk zijn. Maar bij bestudering bezit elke vogel een eigen, krachtige persoonlijkheid. Zo foerageert de ene op grotere schelpen dan de andere. Hoe komt dat? De voorkeur voor grotere of kleine schelpen wordt niet bepaald door hun DNA maar komt voort uit hun relatie tot de omgeving. Hierin zit het hele trekvogelgedrag besloten.

Er is veel dat DNA níet kan. Daarom trekken de auteurs de DNA-hype in twijfel: het voorbeeld uit de natuur heeft zich diep heeft geworteld in ons maatschappelijk denken. Het ‘zit in het DNA’ is een gevleugelde uitspraak, die nuancering behoeft, sterker: het idee dat DNA onze eigenschappen beschrijft kan ‘écht de prullenbak in’, luidt de verregaande conclusie. Na verloop van tijd is ‘zelfs carnaval een genetische eigenschap van een dorp gaan heten’, aldus de auteurs. Met voorbeelden uit onze samenleving en uit de biologie, maken ze aannemelijk dat het te gemakzuchtig is op deze manier de eigenschappen van mens en dier te benoemen. Als alles genetisch is bepaald, dan ontneem je de natuur haar vrijheid en kans te komen tot nieuwe ontwikkelingen.

Aloud dilemma

Feitelijk varieert deze visie op het aloude dilemma tussen nature en nurture, tussen aangeboren of aangeleerd. Omgeving in de breedste zin van het woord bepaalt het gedrag van dieren en van mensen. Temperatuur, muziek, Trump, klimaatverandering, zelfs posters aan de muur van Justin Bieber of Ard Schenk: ze beïnvloeden allemaal ons doen en laten. Dat is een ingewikkelder proces dan ik nu beschrijf; het heeft te maken met de processen die bepalen welke eiwitten aangemaakt worden, wanneer en hoe. Van dit proces is een deel bekend, maar een groter deel niet.

Met de betwistbare stelligheid van DNA als uitgangspunt keren de auteurs zich tegen de wijze waarop mensen denken over natuur en cultuur, tussen aangeboren en aangeleerd. Als Jan Terlouw in zijn Boekenweekessay van 2018, Natuurlijk, in de eerste regel stelt dat in de menselijke natuur het ‘aangeborene’ als contrast geldt tot het ‘aangeleerde, het kunstmatige’, gaat hij meteen in de fout, aldus Oudman en Piersma. Zij bepleiten nieuwe kennis over de natuur die voortkomt uit verwondering: ze willen wetenschap weghalen uit het laboratorium en alle aandacht geven aan de rijkdom die onze omgeving ons biedt en waarin nature en nurture niet stelselmatig van elkaar worden gescheiden. In hun visie bestaat er een voortdurende wisselwerking tussen levende wezens die hun omgeving beïnvloeden en de omgeving die levende wezens beïnvloedt.

    • Kester Freriks