Recensie

De duivel kruipt via ogen en neus naar binnen

Jeugdboek Marita de Stercks nieuwe (jeugd)roman Duivelskruid, draait om het donkere geheim van de stokoude Tanne, een zonderlinge kruidenvrouw die ‘door de duivel bezeten is’, en over hoe haar verhaal doorwerkt op volgende generaties. Goede scènes nemen niet weg dat er ook kansen gemist lijken.

‘Ik ben een klassiek verteller die weliswaar veel schrapt, maar ook veel toelaat. Ik ben niet de auteur van de ene verhaallijn, die alles wat niet in die lijn past, weggumt’, zei Marita de Sterck eens over haar werk. ‘Ik zie graag een bonte stoet door elkaar wemelen.’

Ook in haar nieuwe (jeugd)roman Duivelskruid, die draait om het donkere geheim van de stokoude Tanne, een zonderlinge kruidenvrouw die ‘door de duivel bezeten is’, roert ze veel onderwerpen aan. Liefde en vriendschap, trouw en verraad, schuld en boete, verlies en rouw, en de band tussen opeenvolgende generaties: wezenlijke thema’s die ook in haar eerdere werk centraal staan. Maar ze aanroeren is één ding, ze goed uitwerken is een tweede. En daarin slaagt de Vlaamse niet helemaal: het leven in al zijn facetten in een roman willen vangen is lovenswaardig, maar niet gemakkelijk.

Niet dat Duivelskruid mislukt is. De Sterck heeft een aantrekkelijke vertelstem die boeit vanaf de proloog, waarin we kennismaken met Yara (22) die haar overleden grootmoeder vol verdriet, maar liefdevol wast. De zintuiglijk beschreven lijkwassing en Yara’s besef dat ‘Anneke Tanneke toverheks’ in haar zal voortleven – alleen al door de verticale genenuitwisseling – zet direct de toon voor het van mysterie omhulde levensverhaal, waarvan we deelgenoot worden via krachtige flashbacks.

Een sleutelmoment is de dodenwake die Tanne als kind heeft moeten bijwonen, omdat haar ouders verhinderd waren. Daar leert ze voor het eerst bewust over ‘de Boze’. Ze raakt bevangen door angst bij het horen van de heidense ‘paardenpaternoster’ die de duivel moet verjagen, omdat hij anders ‘door oren, neus, en mond’ naar binnen kan kruipen. Zelfs bij kinderen kan dat gebeuren, zegt de buurvrouw.

Behalve dat het een van de sterkste hoofdstukken oplevert, met filmische scènes en effectieve verwijzingen naar Vlaamse volksverhalen en bijgeloof (De Stercks levenslange passie), wordt hier het zaadje voor Tanne’s duivelsangst geloofwaardig geplant. Ze probeert haar levenslot nog te sturen, maar vergeefs: gedreven door lust en jaloezie beliegt en bedriegt ze haar hartsvriendin, belandt in een liefdeloos huwelijk en verliest haar eerstgeborene, waarna ze haar nieuwe boreling met een ziekelijke bezitsdrang benadert. Haar levenswandel blijkt verregaand bepalend voor die van haar dochter en kleindochter.

De Stercks portret van een oude vrouw die de wraak van de duivel vreest, en op haar sterfbed spijt heeft, overtuigt. Zoals ook de band tussen kleindochter en grootmoeder, de spookscènes rondom Tanne’s holle wilg vol geheimen, en de zinnen, waarin ze beelden en Vlaams idioom goed doseert. Maar als personage is Tanne te overheersend. Hartsvriendin Alma, echtgenoot Leon, dochter Iris en Yara: ze hebben eigen verhalen te vertellen, maar De Sterck laat dat onvoldoende toe. Yara’s verliefdheid en haar zoektocht naar haar vader en achterdocht jegens haar moeder vormen in de schaduw van Tanne’s leven een rijke basis waarop Duivelskruid had kunnen uitgroeien tot een magische familieroman. Dat die verhaallijnen niet zijn doorgetrokken en vervlochten tot ‘de bonte stoet’ waarvan De Sterck zo houdt, voelt enigszins als een gemiste kans.

    • Mirjam Noorduijn