‘Hij schaamt zich voor de onverantwoordelijke vader die hij was’

Mirjam van Hengel

Voor haar biografie van Remco Campert sprak Mirjam van Hengel jarenlang op vrijdag een uurtje met de schrijver. „Er is in hem een gebied waar je niet in komt.”

Het is vrijdag, dus gaat Mirjam van Hengel om vier uur langs bij de Camperts. „Dat houden we er nog in. We verzinnen smoezen: dat ik foto’s moet terugbrengen, dat we moeten overleggen over de boekpresentatie…” En dan zitten ze een uurtje aan de tafel bij het raam, in de Jan Luijkenstraat in Amsterdam-Zuid, zoals jarenlang vrijwel iedere vrijdag. De 89-jarige Remco Campert met een glaasje wijn, bij voorkeur zwijgend, zijn vrouw Deborah aan de andere kant, iets praatgrager, en voor de verandering is Van Hengel nu ook weleens degene die vertelt, in plaats van vragen stelt en luistert. „Dat is op zich veelzeggend, want die band hadden we nog niet toen ik begon.”

Drie jaar werkte Van Hengel (1967) aan de biografie Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert, die deze week verschenen is. Ze putte flink uit gesprekken met de gebiografeerde zelf, al had die aanvankelijk geen zin om mee te werken. „Hij praat niet graag over zichzelf, praat sowieso niet graag en hij voelde niet veel voor al dat oprakelen van zijn verleden. Schrijf die biografie lekker na m’n dood, dacht hij. In mijn eerste plan was zijn rol daarom ook niet zo groot. Maar na een paar maanden zeiden ze: kom toch maar, dan praten we, iedere week een uurtje. Hij wilde wel graag concrete, compacte vragen. Geen gezwam met uitgebreide open vragen, of over gevoelens.”

En dat terwijl gevoelens altijd zo belangrijk zijn geweest in het leven van schrijver en dichter Remco Campert. Het gevoel van zijn woelige jeugd, inclusief de oorlog die hem zijn vader ontnam, de dichter en verzetsman Jan Campert. Het gevoel van bevrijding, de stad, de jazz en de Vijftigers, de avant-gardedichtersgroep waartoe hij ging horen. Het gevoel van de liefde, die hem meesleepte en inspireerde. Het gevoel te willen verdwijnen en het gevoel elke dag opnieuw te beginnen. De lichtheid en de weemoed: de grondtonen van zijn werk en zijn persoonlijkheid.

Van Hengel was aanvankelijk nog geen hardcore Campertliefhebber. „Bij mij thuis gold Campert als literair niet zo interessant en een seksistische man. En toen ik Nederlands studeerde hield ik van de poëzie van de Vijftigers – en dan val je eerder op Kouwenaar en Lucebert dan op Campert.” Die was ‘geen echte Vijftiger’, want al hoorde hij persoonlijk bij het clubje, zijn poëzie was toegankelijker en minder politiek gemotiveerd. „Maar zijn perspectief op het leven beviel me erg, en zijn manier om daar dan literatuur aan toe te voegen. Heel onbevangen, ontvankelijk, speels. We hebben niet veel schrijvers die dat zo sterk hebben.”

Een knipperend ogenblik werd een levendige, zwierig vertelde biografie, met evenveel aandacht voor de feiten als de gevoelens. Toen ze er net aan was begonnen was dichtte Campert, in de bundel Verloop van jaren (2015), over zijn alter ego: ‘liever geen biografie / waarin al deze gevoelens worden gemist / het cement van zijn leven’. Dat cement werd de grootste opgave voor Van Hengel, zo schrijft ze in haar inleiding en ook in een nieuw essay in literair tijdschrift Revisor, want: hoeveel leven rijst er op uit feiten? Voortbordurend op de inzichten van Virginia Woolf noemt Van Hengel het genre van de biografie ‘in diepste wezen hybride, onmogelijk, tweeslachtig: het in kaart brengen van geschiedenis vraagt om feiten, maar om iemands essentie te raken is fictie nodig’.

Lees ook het interview met Remco Campert door Pieter Steinz in 2006: ‘Zo erg is het leven niet’

Campert schreef, enigszins pesterig, in een column dat de biografie wat hem betreft tot ‘het nobele genre van de fictie’ hoort.

„Ja, dat suggereert iets heel anders dan wat de biograaf doet, of kan doen. Maar steeds meer drong tot me door dat Campert zijn hele leven liet bepalen door intuïtieve, gevoelsmatige beslissingen, niet door vooropgezette uitgangspunten of opvattingen of poëtica’s. Wat hem bepáált is dus voor een biograaf het moeilijkst bereikbare territorium. Ik ben geen psycholoog! Maar ik vind ook niet dat je hem recht doet met alleen feiten. Dus moest ik iets vinden waardoor ik met feiten de kijkrichting naar zijn gevoelens kon krijgen.”

Maar hoe dan?

„Het cadeau is zijn werk. Daar zit het gevoel, in een geserreerde of verstopte vorm.”

Dan dreigt een klassiek gevaar voor schrijversbiografen: je kunt het werk niet klakkeloos als de sleutel tot de gevoelens van de schrijver zien.

„De gevoelens in het werk hoeven niet zijn gevoelens te zijn, maar ze tonen wel zijn gevoeligheden. Neem de anekdote over de Duitse man die hij na de oorlog in de trein was tegengekomen en die had gezegd: ‘Und auch die Kinder sind tot’. Hij dichtte daarover én heeft me meermalen erover verteld, in tranen. Dan weet ik dat zoiets hem raakt: dat de oorlog de levens van gewone mensen verwoestte. Ook al benoemt hij het niet zo.”

Is dat niet psychologiseren?

„Psychologiseren zou zijn: stellen dat hij geen goede vader voor zijn kinderen werd omdat zijn eigen vader veelal afwezig was, maar dat is psychologie van de koude grond waarvan ik weg wil blijven. Als je voorzichtig bent kun je wel je interpretatie als biograaf weergeven: tonen hoe je de puzzel legt, waar de vraagtekens blijven staan. Ik heb van Campert ook veel gehoord dat net niet strookte met mijn archiefonderzoeken. Dan juich ik niet dat ik hem betrapt heb, maar beschouw ik die discrepantie als interessant. Waarom herinnert hij het zich zo?”

U speelt die discrepanties zelden tegen hem uit.

„Ik geloof niet zo in stelligheid en al helemaal niet in objectiviteit, en ik meen te zien dat Campert dat ook niet doet, dus ik laat de ruimte voor discrepanties. Die kunnen ook veelzeggend zijn.”

U toont nogal treffende overeenkomsten tussen het titelpersonage van Het gangstermeisje en Camperts derde echtgenote, hij ontkent dat het over haar gaat en dat is het dan.

„Hij mag dat. Ik kan dan zeggen dat het volgens mij wél zo is, maar hoe interessant is dat? Ik geloof dat ik impliciet wel duidelijk maak wat ik het meeste gewicht geef, door te beschrijven dat hij knorrig wordt en zich terugtrekt, maar ik wil het niet opdringen. Ik confronteerde hem er ook mee dat hij altijd zegt dat hij pas in de jaren tachtig voor het eerst over zijn vader schreef, terwijl hij dat in werkelijkheid al deed in een schoolkrant uit 1946, die ik vond. Dat leg ik hem dan voor, maar dat vindt hij niet heel interessant. Zijn eigen verhaal bestaat al.”

Heeft dat te maken met een sterk mechanisme dat u beschrijft: dat de gebeurtenissen zoals hij die vervormd heeft tot literatuur, in zijn hoofd over de herinneringen heen zijn gaan liggen?

„Ja, hij voelt zich wat dat betreft prettiger binnen zijn literaire werk dan in zijn leven. Zoals hij de oorlog heeft vormgegeven in gedichten en verhalen, zo is zijn herinnering geworden. Dat is zijn natuur. De werkelijkheid vervormen is wat je als schrijver de hele dag doet, maar dat werkt bij hem echt door.”

Wat zegt dat over hem?

„Tja, het leven kent natuurlijk hondsmoeilijke momenten, en voor verlegen mensen zoals hij zijn die in sociaal opzicht extra moeilijk. Dus als je een vorm kunt vinden waarmee dat gemakkelijker wordt, voel je je daar wel bij. Die vorm is dat het literatuur mag worden. Hij heeft altijd gezegd: ‘Ik heb geen geheimen, want ik schrijf’, en feit is dat ik bij ál zijn papieren mocht en nooit het idee heb gehad dat er iets verfrommeld of verdwenen was. Dus blijkbaar voelt hij dat echt zo, dat alles wat voor hem belangrijk is in zijn werk zit. En dat er geen rest is die belangrijker is.”

Maar het is toch ook niet zo dat hij geen geheimen heeft?

„Er is een gebied waar je niet in komt, van onderwerpen waarover hij niet wil praten. Dat gaat over zaken die verbonden zijn met schuldgevoel. Bijvoorbeeld over zijn vaderschap: hij schaamt zich voor de onverantwoordelijke vader die hij was. Daar heeft hij nauwelijks over geschreven, dat is ook veelzeggend.”

U schrijft er wel over – ook op basis van andere bronnen. Maar uiteindelijk praatte hij toch?

„Dat was het voordeel van steeds terugkomen en de groeiende vertrouwdheid. Veel heb ik pas maanden later gehoord dan het moment dat ik ernaar vroeg – bijvoorbeeld als zijn dochter net die ochtend was komen koffiedrinken, kwam er wel iets, en kon ik doorvragen.”

Zou hij u omschrijven als iemand die in zijn verleden zit te poeren?

„Hij zal inmiddels zeggen dat ik een goeie vriendin ben – zo is hij, zo is zijn generatie. Ik zou dat niet zomaar zo zeggen, al is het contact nu wel vriendschappelijk. Die rol herken ik een beetje van toen ik redacteur was: je auteurs vinden snel dat jij hun vriend bent, maar zij zijn niet altijd meteen jouw vrienden. Ik hou een bepaalde afstand, daardoor heb ik nooit aan de leiband gelegen, ik had kritische vrijheid en kon alles vragen.”

Lees ook de recensie van Remco Camperts meest recente dichtbundel: Geëngageerde Campert vervalt in krantenwerk

En als hij niets zei, loste u het op door dat korzelige gesprekje te beschrijven, waarin u ook uzelf opvoert.

Aarzelend: „Ik doe dat af en toe, ja, mezelf opvoeren. Er zijn mensen die daar niet van houden, die vinden dat je dan tussen de lezer en de gebiografeerde in gaat staan. Zo ver hoop ik niet te gaan, maar omdat ik niet geloof dat je een objectief verhaal kunt vertellen, vind ik het goed om af en toe te tonen dat ik de kijkrichting bepaal. Als je dat niet doet, wordt het fictie. Je kunt je gekleurdheid er niet uit filteren.”

Er zitten ook opmerkelijke perspectieven in, met als hoogtepunt het laatste hoofdstuk, waarin de werkkamer de rode draad is.

„Het is een uitgesproken keuze en dat is precies zoals ik schrijven wil – al vindt de biografiepolitie misschien dat dat niet kan. Maar ik geloof dat dát hem echt vangt, de sfeer van die werkkamer. Je kunt dan mokken dat de biograaf zelf zo nodig iets moois moest maken, maar ik wil een mooi boek maken, ik wil dat mensen voor mijn boek vallen. Dat ze niet denken: Campert, razend interessant, maar dat boek is helaas een beetje saai.”

    • Thomas de Veen