Foto Annabel Oosteweeghel

‘Vanaf mijn zestiende ging het alléén nog over Auschwitz’

Dore van Duivenbode (33) bracht als kind vele onbezorgde zomers door in de bergen bij Auschwitz, de geboorteplaats van haar moeder. Geleidelijk aan ontdekte ze het diepdonkere verleden van het stadje.

Met de auto op weg naar hun vakantiehuis in het Zuid-Poolse laaggebergte reed Dore van Duivenbode als kind elke zomer langs het Museum Auschwitz-Birkenau. Steevast stonden er lange rijen voor de ingang. Wat voor attractie was dit? Er was weinig te zien. Een parkeerterrein en wat gebouwen. Prikkeldraad en een uitkijktoren. Dat het geen pretpark was maar iets duisters en geheimzinnigs, voelde ze aan de sfeer die eromheen hing. Uit wat ze opving in gesprekken begreep ze dat er iets verschrikkelijks moest zijn gebeurd achter dat prikkeldraad. Maar wat? Niemand wilde het haar vertellen. Als ze aan haar moeder vroeg of ze er een keer heen mocht, was het antwoord telkens: „Geen sprake van.” Haar moeder, Barbara Starzynska, architect, was opgegroeid in het stadje Oswiecim, zoals Auschwitz in het Pools heet.

In groep 7 – Dore van Duivenbode was tien – vertelde de leerkracht tijdens de geschiedenisles over de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en de concentratiekampen. Ze zag foto’s van Auschwitz en herkende meteen de kromme, betonnen palen met prikkeldraad, waarvan er duizenden in Oswiecim staan. In tuinen, bij de rivier waarin ze altijd zwom, langs bedrijventerreinen.

En bij het museum dus. Anderhalf miljoen mensen waren er vermoord, hoorde ze. Een aantal waarbij ze zich weinig kon voorstellen. „Mijn familie woont daar”, zei ze tegen het meisje naast haar. Dat keek haar niet-begrijpend aan. Toen pakte ze haar rugzak, blauw met zwarte strepen, die haar oma aan het eind van de zomervakantie voor haar gekocht had in de kantoorvakhandel van Oswiecim. „Kijk, deze heb ik daar gekocht”, vertelde ze haar klasgenootje. Maar die begreep er toen helemáál niets meer van.

Polen willen alleen nog maar bezig zijn met vooruitgang. Graven in de geschiedenis hoort daar niet bij

Dore van Duivenbode

In haar appartement in Rotterdam vertelt Van Duivenbode, journalist en documentairemaker, over haar fascinatie voor Oswiecim, waar zo’n gruwelijk verhaal aan kleeft maar waarvan zij ook de andere kant kent. De mensen die er, zoals haar grootouders, na de Tweede Wereldoorlog kwamen wonen om een nieuw bestaan op te bouwen, vaak als werknemer van de chemische fabriek. Die trots zijn op Oswiecims rijke middeleeuwse historie. Die weggaan om te studeren, zoals haar nichtje, maar er terugkeren om een gezin te stichten. Mensen die een gewoon leven willen leiden en niet steeds herinnerd willen worden aan het verleden. Niet aan het feit dat de chemische fabriek, IG Farben, tijdens de oorlog is gebouwd door kampgevangenen, net als een groot deel van de woningen in de stad. Niet aan het feit dat overal in Oswiecim nog resten van gebouwen staan die onderdeel uitmaakten van het concentratiekamp. En ze willen al helemaal niet herinnerd worden aan de massamoord die er tussen 1941 en 1944 werd gepleegd. „Liever hebben ze het over ijshockey. Het team van Oswiecim was achtmaal landskampioen, en daar zijn ze trots op. Net als op de nieuwe bibliotheek.”

Ze wilden het verleden wegstoppen

In het boek Mijn Poolse huis, dat op 28 augustus verscheen, beschrijft Van Duivenbode haar herinneringen aan de zomervakanties in Oswiecim terwijl ze tegelijkertijd probeert te ontrafelen waarom de inwoners, inclusief haar eigen familie, zo merkwaardig omgaan met de geschiedenis. „Als je daar woont, kun je je niet voortdurend bewust zijn van wat daar voor verschrikkelijks is gebeurd, dat begrijp ik heel goed”, zegt ze. „Zelf ben ik er ook aan gewend om het gewone leven en de geschiedenis te scheiden als ik in Oswiecim ben. Maar ik verbaas me er wel over hoe diep sommige mensen het verleden willen wegstoppen en hoe hardnekkig ze de mooie dingen van de stad willen benadrukken.

„Voor een reisserie over Polen voor de VPRO was ik afgelopen maand weer in Oswiecim, en toen ik mijn oom vertelde dat we bij het kamp gingen filmen, keek hij heel ongelukkig en zei hij: ‘Waaróm nou toch weer? Ga toch naar het plein en naar de nieuwe bibliotheek!’ Zoals mijn oma vroeger altijd zei als ik vroeg of ik naar het Auschwitz-museum mocht: ‘Ga toch naar het kasteel!’ Het moet te maken hebben met de geschiedenis van Polen. Eerst was er het communisme, dat mensen ontmoedigde om vragen te stellen, en daarna wilden de Polen alleen nog maar bezig zijn met vooruitgang. Graven in de geschiedenis hoort daar niet bij.”

Foto Annabel Oosteweeghel

De moeder van Van Duivenbode, Barbara Starzynska, ontmoette in 1992 haar tweede echtgenoot, beeldend kunstenaar Hans Citroen. Hij was zeer geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog en in het bijzonder in Auschwitz, waar zijn Joodse grootvader gevangen had gezeten (en het overleefde). Langzaam veranderde haar blik op Oswiecim.

„Dat mijn moeder de geschiedenis voor mij weghield toen ik een jaar of zes, zeven was, is begrijpelijk”, zegt Van Duivenbode, „want hoe leg je een jong kind uit wat daar op die plek gebeurd is? Later wilde ze mij en mijn broer niets vertellen omdat ze ons beeld van haar geboorteplek niet wilde bezoedelen. Maar mijn stiefvader heeft haar meegetrokken in zijn interesse voor de geschiedenis. Ze zijn samen een fotoboek gaan maken, waarin ze alle gebouwen en andere tastbare overblijfselen in de stad hebben geïnventariseerd die op een of andere manier te maken hebben gehad met het concentratiekamp. Ook alles wat overwoekerd was, half vergaan of hergebruikt. Ze zijn daar jaren mee bezig geweest. Toen ik een jaar of zestien was, ging het op een gegeven moment alléén nog maar over Auschwitz. Niet alleen als we in Polen waren, maar ook thuis in Rotterdam.”

Lees ook het interview met Keith Lowe, Deze Britse historicus schreef een boek over de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog: ‘We zijn bang om vrij te zijn’

Vanaf haar tiende bestonden de zomervakanties in Oswiecim steeds meer uit rondrijden in de omgeving, achterin de Mercedesbus van haar stiefvader. „De achterbank was hard, had een kaarsrechte leuning, geen gordels en een kort zitgedeelte zodat ik bij iedere remactie tegen de voorstoel aan botste […] Meestal keek ik verveeld naar buiten en zag ik niets wat ik hoopte te zien. Geen zee of strand, maar bruine muren, blauwe hekken, buizen, pijpen en gebouwen zover het oog reikte”, schrijft Van Duivenbode in Mijn Poolse huis. Uiteindelijk legden die ritjes de basis voor haar interesse voor geschiedenis, en, vooral, voor hoe mensen met die geschiedenis omgaan.

De Solahütte, resort voor SS’ers

In de zomer van 2013 verbleef ze een paar maanden alleen in het buitenhuis van haar familie in de bergen, niet ver van Oswiecim, waar ze als kind zoveel tijd had doorgebracht. Haar moeder en oma waren niet lang daarvoor allebei overleden. Haar broer en haar stiefvader wilden het huis niet en er zat weinig anders op om het te verkopen, ook omdat het in verval raakte. Ze stelde de verkoop steeds maar uit. „Dat huis stond symbool voor mijn jeugd. Ik was bang dat als ik er afscheid van zou nemen, mijn hele verleden ook in elkaar zou storten. Krampachtig probeerde ik iets vast te houden wat er niet meer was. Die zomer ben ik begonnen mijn herinneringen te verzamelen en de plekken te bezoeken waar ik als kind kwam. Zoals de Solahütte, een chalet dat we altijd passeerden tijdens onze wandelingen en dat in de oorlog een SS-resort was. Ook raakte ik in gesprek met oude mensen, kennissen van mijn grootouders en anderen, die mij over vroeger vertelden. Zo kreeg ik geleidelijk een completer beeld van mijn eigen jeugd en van de geschiedenis. Dat gaf rust in mijn hoofd.”

Lees ook het interview met Mirjam Lapid-Andriesse (85), zij overleefde als Joods meisje concentratiekamp Bergen-Belsen: ‘Dat mijn moeder nog leefde was het mooiste cadeau’

De ouderen die Van Duivenbode vroeg naar hun oorlogsherinneringen, onder meer in het bejaardentehuis van Oswiecim, waren opmerkelijk spraakzaam. Ze vertelden hoe de Duitsers het stadje innamen in 1939, en de bewoners inzetten voor de oorlogsindustrie. Eén vrouw vertelde hoe haar vader, die bij de spoorwegen werkte, elke dag op het station mensen hoorde schreeuwen door de openingen in de goederenwagons. Zelf herinnerde de vrouw zich vooral de geur van lichamen die verbrand werden. Eerst rook ze haren en nagels. Daarna het vlees. Als ze eraan terugdenkt, proeft ze de geur nog steeds. Van Duivenbode: „Deze tachtigers grepen de kans om nog iets van hun levensverhaal te delen met beide handen aan. Vaak vertelden ze me dingen waar ze nooit eerder met iemand over hadden gepraat.”

Dore van Duivenbode: Mijn Poolse huis. Vakanties naar Auschwitz. Uitgeverij De Geus, 19,99 euro.
    • Brigit Kooijman