Opinie

    • Edwin de Beurs

Succes bij depressie wel meetbaar

Gezondheidszorg

Het belonen van succesvolle behandeling van depressie kan in het voordeel zijn van patiënten, zegt
Beelden uit een serie foto’s van het huis van een langdurig depressieve vrouw. Foto’s Folkert Koelewijn

In de recente discussie over de plannen van Menzis is de volgende mythe komen bovendrijven: psychische klachten zoals depressie of angst zijn zo ingewikkeld dat je de uitkomst van hulpverlening niet kunt meten. Dit kan niet waar zijn. Een van de argumenten is dat psychische klachten subjectief zijn, en geen objectiveerbare feiten zoals bloedwaarden, post-operatieve infecties of sterfte. Angst, depressie, desoriëntatie, en onbegrepen lichamelijke klachten zijn niet te zien op een scan of röntgenfoto, en we kunnen ze alleen indirect meten door de patiënt erover te bevragen. Om psychische klachten te meten maken we gebruik van gestandaardiseerde en gevalideerde meetinstrumenten. Dit levert geobjectiveerde metingen van subjectieve fenomenen op. Dat is op zichzelf niet ongebruikelijk in de gezondheidszorg. Een voorbeeld is pijn: niet objectiveerbare maar zelf-gerapporteerde pijn is de belangrijkste uitkomstmaat om behandeling voor pijn te evalueren.

Meten voor, tijdens en na de behandeling

Als het waar zou zijn dat ‘subjectieve’ vragenlijsten geen goed beeld geven van het effect van behandelingen in de GGZ, dan verkruimelt de wetenschappelijke basis onder de psychiatrie en de klinische psychologie. In wetenschappelijk onderzoek naar het effect van behandeling maken we altijd gebruik van deze meetmethoden. We evalueren de uitkomst van behandeling door de ernst van de aandoening herhaald te meten (voor- en na de behandeling) met vragenlijsten die we aan patiënten voorleggen of met beoordelingsschalen die door een onafhankelijke deskundige worden ingevuld over de patiënt.

Aan vragenlijsten die patiënten zelf invullen of beoordelingsschalen kleven bezwaren. Iedere patiënt is uniek en leeft in eigen unieke omstandigheden. Gestandaardiseerde lijsten zullen altijd enigszins te kort schieten om aan die uniciteit volledig recht te doen. Maar zijn ze goed genoeg om voortgang in de behandeling vast te stellen? Op het gebied van meten van de ernst van psychische klachten is veel vooruitgang geboekt in de afgelopen dertig jaar, en we beschikken over meetinstrumenten waarvan de betrouwbaarheid en validiteit uitgebreid is onderzocht.

De betrouwbaarheid onderzoeken we bijvoorbeeld door te kijken of respondenten dezelfde antwoorden geven op vergelijkbare vragen of door lijsten herhaald af te nemen en na te gaan of de score hetzelfde blijft. De validiteit onderzoeken we door meetresultaten te vergelijken met andere instrumenten, of met andere indicatoren van ziekte, of door vast te stellen dat de score is veranderd wanneer de patiënt succesvol is behandeld. Veel meetinstrumenten voor psychische klachten zijn aantoonbaar betrouwbaar en valide om de uitkomst van de behandeling te meten.

De computer en de telefoon helpen

Een spannende nieuwe ontwikkeling is de afname van vragen via de computer of smartphone. Deze kan op basis van gegeven antwoorden steeds gerichter vragen kiezen die relevant zijn voor de specifieke patiënt. Zo krijgen we met een beperkt aantal vragen toch een heel goed beeld van de ernst van de depressie of de angst. Andere ontwikkelingen zijn uitbreiding van alleen meten van symptomen naar ook meten van maatschappelijk of sociaal functioneren. Is de patiënt na behandeling weer in staat sociale relaties te onderhouden of te werken?

Uitkomsten van zorg zijn zeker betrouwbaar te meten: op het niveau van de individuele patiënt, op het niveau van een behandelaar, een team, een instelling of het gehele land. Zo kunnen we vaststellen dat na een behandeling bijna de helft van de volwassen patiënten met een depressie herstelt (45 procent); bij 26 procent was de ernst meetbaar afgenomen; bij 24 procent was er geen aantoonbare afname van klachten en bij 5 procent waren de klachten erger geworden.

Deze geaggregeerde gegevens op macro-niveau leveren bruikbare informatie over het beloop van depressie tijdens behandeling en laten zien dat veel patiënten baat hebben bij behandeling. Of en hoe dergelijke uitkomsten een rol moet spelen bij de onderhandelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders is een andere kwestie.

Lees ook: Resultaatgericht behandelen van depressies. Serieus, Menzis?

Het experiment van Menzis, opgezet met instemming van achttien instellingen die zich bezighouden met geestelijke gezondheidszorg, verdient een kans, mits er voldoende waarborgen zijn dat de zorg toegankelijk blijft voor moeilijk behandelbare patiënten.

Meer patiënten, oplopende wachttijden

Toegankelijkheid van de zorg was nu juist de aanleiding voor het experiment, want die toegankelijkheid staat onder druk. Het aantal mensen dat gebruik maakt van de GGZ is sterk toegenomen en men kampt met oplopende wachttijden. Een patiënt met depressie of angstklachten zes maanden of een jaar laten wachten op behandeling is niet acceptabel. Dit verlengt het psychisch lijden onnodig en het gevaar bestaat dat de klachten verergeren en moeilijker te behandelen worden. Goed en snel behandelen is in het belang van de patiënt. Het Menzis-experiment is erop gericht bij relatief milde depressie en angst de prikkel om zoveel mogelijk te doen, te vervangen door een prikkel om zo goed mogelijk te doen, de zogenoemde waardegerichte zorg. Over je eigen grenzen heen kijken en lering trekken uit ervaringen die zijn opgedaan bij andere aandoeningen (heupoperaties, prostaat- en borstkanker, hart- en vaatziekten) is te verkiezen boven het unieke en onmeetbare van de geestelijke gezondheidszorg te benadrukken.

    • Edwin de Beurs