Keiharde Engelse klei, gemillimeterd Nederlands gras

Het graswicket Groundsman Paul Polak (66) besteedt zestig uur per week aan het onderhoud van ‘zijn’ graswicket. De cricketbal moet erop kunnen stuiteren alsof hij een straatsteen raakt.

Groundsman Paul Polak werkt zestig uur per week aan het perfecte graswicket in Amsterdam. Foto Bastiaan Heus

Paul Polak moet even het veld op. De inning (slagbeurt) van Spanje in de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Jersey zit erop. Tijd voor de groundsman van de Amsterdamse cricketclub VRA (Volharding RAP Amstels) om het slagperk te inspecteren. Bepakt met bladblazer en een pot witte verf loopt hij naar het opgehoogde middenstuk van het veld, daar waar de batsman en bowler elkaar treffen.

De spikes onder de schoenen van de cricketspelers hebben hun sporen achtergelaten op het graswicket. Zíjn graswicket. De gele bladblazer werkt de losse stukken gedroogd gras weg, de kwast met witte verf brengt de lijnen weer terug aan het oppervlak. Het wicket is klaar voor de volgende inning.

Al 25 jaar is Paul Polak (66) groundsman bij VRA in het Amsterdamse Bos. Gerenommeerde cricketlanden als Australië, India en Pakistan speelden op zijn veld. „Goede spelers houden het graswicket zelf schoon. Ieder vuiltje kan de baan van de bal nu eenmaal beïnvloeden”, zegt Polak. Maar nu is VRA, een van Nederlands oudste cricketclubs, een van de gastheren van een Europees kwalificatietoernooi met minder aansprekende deelnemers. Dus loopt Polak tussen de innings zelf het veld op.

Het graswicket is zijn passie. Om zes uur ’s ochtends is hij steevast als eerste aanwezig bij VRA. Als het gras net gezaaid is, ligt hij, soms met zijn motorhelm nog op, op zijn zij naast het graswicket. Zijn oog gericht op het miniemste stukje groen dat uit de klei naar boven komt.

Polak gaat het graswicket – in Engeland ook wel table genoemd, omdat het hoger ligt dan de rest van het veld – aan het eind van het seizoen zes centimeter ophogen. De bovenste 15 centimeter van het graswicket bestaat uit klei. Die komt met twee vrachtwagens over vanuit Engeland. „Heel mooie klei”, zegt Polak. Niet per se beter dan een Nederlandse soort, maar die krijgt hij in brokken aangeleverd. „En daar kan ik niks mee.”

Kleipercentage

Met gemak lepelt Polak van zijn „topklei” de ingrediënten op. „32 procent klei, 30 procent silt, en de rest is zand.” Liever had hij een kleipercentage van 38 gezien, maar voor Engelse velden zou de klei dan „te nat” worden. „Ze hebben geen droge landwinden, zoals wij hier. Het duurt daar langer voor de grond is gedroogd.”

Met de Koro – een machine die werd ontwikkeld door Ko Rodenburg, sportveldbeheerder bij de gemeente Rotterdam – wordt het bovenste laagje van het graswicket, inclusief de wortel, weggeschraapt. Het gras is dan door Polak zo kort mogelijk gemaaid, tot twee millimeter.

Op iedere vierkante millimeter van de klei moet een graszaadje vallen

Als de pitch helemaal glad is gestreken, maakt Polak er handmatig gaten in. De ondergrond moet lucht krijgen. Daarna verdeelt hij met een groepje helpers 2.000 kilo klei met bezems over de oppervlakte van 30 bij 20 meter. „Dan ligt het wicket 12 centimeter hoger”, zegt Polak. Met een halve ton zware roller, die samen met een dertigtal andere machines naast het VRA-clubhuis staat geparkeerd, veegt Polak de klei uit. „Zwaarder dan 500 kilo kan niet, dan zak je door de klei.”

‘Krankzinnig veel zaden’

Dan is het tijd om te zaaien. Gewoon Nederlands gras, van leverancier Barenbrug uit Nijmegen. „We gooien er krankzinnig veel zaden op”, zegt Polak. Op iedere vierkante millimeter moet een zaadje vallen, want ieder graszaadje is in de klei goed voor maar één grassprietje. En die 600 vierkante meter moet wel helemaal vol staan. Het gras groeit snel, met twee meter per jaar. „Ik maai het dan bijna iedere dag.”

De klei moet hard worden, keihard. „We rollen met machines om de klei compact te maken. Alleen dan wordt de laag hard.” De cricketbal moet kunnen stuiteren alsof hij een straatsteen raakt. „Dus als jij zegt dat-ie keihard is, dan keur ik hem nog een keer af”, zegt Polak. Geen nagelafdruk mag erin blijven staan, het zou betekenen dat er nog vocht in de grond zit.

Met een speciale, dunne sleutel test Polak de weerstand van de ondergrond. Die is in geen andere sport zo belangrijk als bij cricket, denkt hij. Het graswicket is een middel, een troef in het spel. „Maar ik mag niet, als ik weet dat de slagmannen van de tegenstander allemaal links zijn, het graswicket zo prepareren dat het voor hen moeilijk bespeelbaar wordt. Als de bond daarachter komt, mag je geen wedstrijden meer organiseren.”

Draaiballen

Toch is in het cricket van alles geprobeerd om de ondergrond te manipuleren. In het verleden werd door thuisclubs aan het sproeiwater een lijmsoort toegevoegd, dat het graswicket glad maakte. Daardoor kreeg de bal geen spin meer mee. Ideaal voor wedstrijden tegen Indiërs, die bekendstaan om hun draaiballen. De lijm is inmiddels een verboden goedje.

Foto Bastiaan Heus

Het dagelijkse onderhoud van het graswicket van VRA – Polak is er zo’n zestig uur per week mee bezig – bestaat uit maaien en rollen. In de zomermaanden, als de dauw nog op het gras rust, zit hij om zes uur ’s ochtends op een roller. Met een snelheid van 300 meter per uur rolt Polak dan over het gras. „Dan sta je bijna stil. Hoe langzamer je rijdt, hoe meer druk naar onder je geeft.” De dauw is nuttig, want je moet niet te weinig vocht hebben. „Dan kun je de klei breken.”

Hard werken en vroeg opstaan, Polak doet alles om het ideale graswicket te prepareren. Maar perfectie kent zijn grenzen. Bij een Engelse cricketvereniging werd de groundsman ontslagen omdat hij geen gehoor gaf aan de opdracht van het bestuur om zijn graswicket aan te passen. „De tegenstander bleef maar winnen op die perfecte ondergrond”, zegt Polak. „Dat was ook weer niet de bedoeling.”

Correctie (5 september 2018): In een eerdere versie werd VRA de oudste cricketclub van Nederland genoemd. Dat is niet juist en is aangepast. Als bestanddeel van de klei voor het graswicket werd ‘zilt’ genoemd. Bedoeld werd silt, een grondsoort waarvan de deeltjes groter zijn dan die van klei en kleiner dan die van zand. Ook dit is hierboven aangepast.

    • Jelmer Kos