Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Eieren

Ons huis was ’s nachts bekogeld met eieren. De verleiding was groot om het persoonlijk op te vatten, maar we hoefden ons niets te verbeelden: het was geen aanslag op de persvrijheid, maar gewoon dorpse baldadigheid. Gebeurde in alle dorpen in Noord-Holland, niets om je druk over te maken.

Lekker dan, werden wij net als zo veel andere opiniemakers ook een keer bedreigd, kwamen de buren het op hun slippers relativeren. De overbuurman zei dat hij ’s nachts scheldwoorden had horen schreeuwen, maar dat hoorde hij wel vaker en dan kon je de klok erop gelijkzetten dat het iets in de privésfeer was en dus was hij maar niet terug gaan schelden. Maar wij hadden nog geen overkokend huwelijk.

„Wat riepen ze dan?”, vroeg ik.

„Gewoon scheldwoorden, ‘lul’ misschien.”

Dan kwam het misschien door mij, dacht ik hardop, want ik was in mijn stukjes niet altijd even vleiend geweest over ons dorp waarvan ik de naam overigens heel discreet meestal maar niet noemde. De man stelde me gerust: „Stukjes? Ik heb nog nooit wat gelezen, man. En ik ga het ook niet lezen. Kranten, die hele troep, het interesseert me allemaal niets. Niemand niet. Nee hoor, gewoon eraf poetsen, en dan weer door. Die jongens waren waarschijnlijk dronken en dachten: kom we gooien wat vuilnis naar die nieuwe mensen, deden wij vroeger ook.”

Zijn vrouw kwam ook aangestiefeld, handen in de roze joggingbroek.

‘Nou en?”, zei ze op een toon alsof ik me geweldig stond aan te stellen. „Er gebeuren hier zo veel dingen. Ik ben bij het tunneltje weleens met een stok op de rug geslagen. Gewoon doorgefietst. Kan gebeuren.”

Ik ging aan de slag met de tuinslang.

Een vader die zijn kind naar de basisschool naast ons huis bracht, schudde het hoofd over zo veel onkunde en zei dat de straal veel te hard was.

„Als je de gevel naar de kloten wilt helpen moet je zo doorgaan. Je moet het met een emmer en lap doen.”

„Het was geen aanslag”, zei ik tegen de vriendin die met de kinderen rond de keukentafel zat. „Niemand leest onze stukjes, ik heb de gevel waarschijnlijk kapot gespoten en als je naar Krommenie fietst moet je oppassen bij het tunneltje.”

Zij: „En toch is het raar.”

Even later kwam onze werkster, een vrouw die al haar hele leven in het gebied woont.

„Zal ik vandaag maar met de ramen beginnen?”, vroeg ze.

Daarna deze zin: „Je hebt vogels en rotvogels. Ze zijn gewoon over jullie huis gevlogen en hadden opeens zin om eieren te leggen.”

Er was weer eens niets gebeurd, dat hoorde je hier wel vaker.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen