Botsing universiteiten en ASML: einde twee onderzoeksgroepen

Reconstructie

Voor een wetenschapper duurt de lange termijn járen, maar een bedrijf denkt maar een paar maanden vooruit. Dat botst, op het Amsterdamse Science Park.

Interieur van een laboratorium op Science Park, Amsterdam. Foto Rob Huibers/HH

Het paradepaardje van samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven opent in november 2014 op het Amsterdamse Science Park de deuren: onderzoeksinstituut ARCNL. Het instituut (70 medewerkers) voor fundamenteel onderzoek in nanolithografie moet baanbrekende innovaties opleveren voor de chipsindustrie én publicaties in wetenschappelijke toptijdschriften. ARCNL is een samenwerkingsverband van drie partijen (Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit en NWO) met ASML, de belangrijkste leverancier ter wereld van machines voor het maken van halfgeleider-chips (omzet rond tien miljard).

Ook onderzoekers uit Nijmegen, Eindhoven en Aken waren op presentatie bij ASML, dat toch heeft gekozen voor het Amsterdamse bidbook. Voor de uitvoering is de komende tien jaar 100 miljoen nodig. ARCNL wordt voor 60 procent bekostigd uit publiek geld; ASML draagt 40 miljoen bij, met de mogelijkheid om de samenwerking na vijf jaar op te zeggen en er gefaseerd uit te stappen na tien jaar.

Bij de feestelijke opening door staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) gaat het nog vrolijk toe, maar in de dagelijkse praktijk betrekken de gezichten snel. ARCNL-onderzoekers hebben moeite met de manier van discussiëren van ASML-medewerkers, met name binnen het managementteam.

„Dat de stijl anders is dan binnen de universitaire wereld valt niet te ontkennen”, zegt hoogleraar spectroscopie en fotonische materialen Fred Brouwer. Frank Schuurmans, vicepresident system engineering van ASML en lid van het bestuur van ARCNL, is bekend met klachten over botheid. „Wij houden van scherp, inhoudelijk discussiëren en daarbij kan het ook wel eens onvriendelijk worden, maar aan het eind van de dag gaan we hier in Brabant samen een biertje drinken. We proberen nu meer rekening te houden met de academische bedrijfscultuur.”

Lees over financiering van wetenschappelijk onderzoek ook: Voor een klein bedrag koopt een bedrijf veel invloed

Onaangename verrassing

Een onaangename verrassing is ook dat ASML sommige onderzoeksvoorstellen uit het bidbook niet relevant vindt voor het bedrijf. Dat levert de eerste conflicten op. „Wetenschappers denken bij fundamenteel langetermijnonderzoek aan 10 à 20 jaar, ASML aan volgend jaar”, zegt een anonieme ARCNL-medewerker. „ASML heeft vaak problemen die ze binnen enkele maanden willen oplossen en als ons onderzoek daar niet bij aansluit, maken ze misbaar.”

De meeste kritiek heeft ASML op de keuze voor onderzoek aan zogenoemde fotoresists (materialen die veranderen onder invloed van UV-licht) van bovengenoemde Brouwer en Sonia Castellanos, die een eigen groep heeft opgebouwd. In de gesprekken tussen de raad van bestuur van ARCNL (met vertegenwoordigers van VU, UvA, NWO en ASML) en ARCNL-directeur Joost Frenken blijkt bij herhaling dat dit onderzoek onvoldoende „resonantie” heeft binnen ASML, zo bevestigt Frenken. Het risico dat ASML uit ARCNL stapt, hangt als een zwaard van Damocles boven het instituut. De internationale commissie die de beginjaren evalueert, schrijft in november 2017 zorgen te hebben over de „interactie tussen meerdere partners met verschillende verwachtingen over hun investering in ARCNL. Deze spanning bedreigt de levensvatbaarheid van het instituut en moet worden aangepakt.”

Eind januari 2018 besluit directeur Frenken met instemming van het bestuur om de onderzoekslijnen van Brouwer en Castellanos in drie jaar tijd af te bouwen. „De abruptheid waarmee dit gebeurde zorgde voor een algemeen gevoel van onveiligheid binnen ARCNL”, zegt Castellanos terugblikkend. Schuurmans zegt die reactie moeilijk te kunnen begrijpen omdat de bezwaren van ASML al meer dan een jaar bekend waren. „Als een partij meebetaalt is het bovendien gebruikelijk dat er ook invloed is.”

De partners besluiten een duidelijker beleidsplan over de samenwerking op te stellen, ARCNL 2.0. Er zal vaker overleg plaatsvinden met ASML om te bepalen waar hun uitdagingen liggen, met een jaarlijkse evaluatie. „Wij zijn tevreden over hoe het nu gaat”, zegt Schuurmans van ASML. „De hooggespannen verwachtingen dat we bij ARCNL allemaal fundamenteel toponderzoek zouden gaan doen, met publicaties in Science en Nature, zijn vooralsnog niet uitgekomen”, zegt een anonieme ARCNL-medewerker.

Andere collega’s zijn positiever. Oscar Versolato, groepsleider EUV Plasma Processes, publiceert als een van de weinigen wél veel en is enthousiast: „Er is genoeg ruimte voor fundamenteel onderzoek.”

Ook voor Stefan Witte, groepsleider EUV Generation and Imaging, werkt de opzet goed. „Ik vind veel interessante wetenschappelijke vragen in het gebied van de nanolithografie.” Hij spreekt van kinderziektes. „Dat lijkt me ook vrij normaal bij een nieuw initiatief op zo’n schaal. ”

Castellanos wijst op de spanning bij alle publiek-private samenwerking door uiteenlopende belangen. „De industriële partner vraagt: wat is het nut voor ons? En de universiteit en NWO vragen: hoeveel papers heb je gepubliceerd? Het is moeilijk te bepalen waar je de prioriteit moet leggen.” Zij zegt dat ondanks de forse private bijdrage niet mag worden vergeten dat er veel meer publiek geld gaat naar publiek-private samenwerkingen. Deze investeringen moeten ook ten goede komen aan de opleiding van PhD- en masterstudenten, die de meerderheid van het personeel vormen bij ARCN: „Juist omdat zij nog in opleiding zijn, is onze reactiesnelheid op de behoeften van de bedrijven onvermijdelijk langzamer dan zij zouden willen.”

    • Frank van Kolfschooten