‘Rabot’: woontorens als afvoerputje van samenleving

Christina Vandekerckhove De Belgische documentairemaker volgde drie jaar de bewoners van drie afgedankte woontorens in de Gentse wijk Rabot. Ze schetst een confronterend beeld van eenzaamheid, psychische problemen en vooral veel armoede.

Van de drie woontorens in de Gentse wijk Rabot zijn inmiddels twee tegen de vlakte gegaan in ‘Rabot’.

Er is deze nacht weer ingebroken in een van de leegstaande appartementen ‘in den blok’. Zodra we de entree binnenwandelen van de enige van de drie woontorens in de Gentse Rabotwijk die nog niet tegen de vlakte is gegaan, horen we dat van bewoners Alex en Driss. Beiden zijn ook te zien in de documentaire Rabot van de Belgische Christina Vandekerckhove over de drie beruchte torens. Ze verhuizen binnenkort naar nieuwere sociale woningbouw. Op de vraag of ze blij zijn met hun aanstaande vertrek, volgt een cynisch antwoord: „Het probleem zijn de mensen, niet de gebouwen.”

Vandekerckhove filmde drie jaar in en rond de drie torens met ieder 197 appartementen aan de rand van het Gentse centrum. „Veel oudere bewoners vertelden me dat het prestigieuze woonplekken waren toen ze werden gebouwd in de jaren zeventig”, vertelt Vandekerckhove. Maar de daaropvolgende decennia werden de blokken een afvoerputje voor wie elders geen woning kon vinden. Het verval trad in totdat afbraak de enige optie leek. Naast de glazen entree waar we Alex en Driss ontmoeten, gaapt nu een diep gat met de laatste restanten van de tweede toren. Iets verderop, op de plek van de eerste toren, is de eerste nieuwbouw verschenen.

De paar nog niet verhuisde bewoners reageren warm als ze de documentairemaakster zien, opmerkelijk want ze schetst in haar film een rauw en confronterend beeld van het leven in de blokken in de jaren voor de afbraak. Eenzaamheid, psychische problemen, racisme, criminaliteit en vooral veel armoede. De film opent met bewoner Mark, die vertelt hoe hij iedere ochtend sigaretten rolt voor de komende dag. Niet alleen zijn zelf gerolde sigaretten goedkoper dan die uit een pakje, hij kan extra geld besparen door dunnere peuken te rollen voor buiten de deur. Hij verliest zo minder kostbare tabak als de tram er onverwacht aankomt en hij een half opgerookte sigaret moet weggooien.

De beelden van Vandekerckhove zijn vaak grappig en cru tegelijk. Zo is er een uit Ghana geëmigreerde vrouw met psychische problemen over wie haar ex-echtgenoot vertelt dat „bier een beter hulpmiddel voor haar is geweest dan het geloof”. Na het zien van Vandekerckhoves film, snap je zijn redenering.

Esthetisch

Ze aarzelde voor ze nogmaals met een journalist de toren zou bezoeken, vertelt de regisseur. „Het laatste wat je wilt, is dat het aapjes kijken wordt.” Van het risico op ‘poverty porn’ was ze zich ook bewust tijdens het maakproces. „Het enige waar je op af kunt gaan is je eigen gevoel als maker.” Mensen die niet genoeg „veerkracht” hadden, bracht ze bewust niet in beeld. „Opnames van iemand met excessieve verzamelwoede liet ik uit de film. Zo iemand dreigt zijn woning te verliezen als de overheid het ziet.” Ook lette ze erop dat ze „open” naar haar onderwerp keek.

Christina Vandekerckhove ergert zich aan documentairemakers die hun eigen veronderstellingen illustreren met de verhalen van geïnterviewden. „Ik ben langs alle deuren gegaan. Niet alle bewoners wilden meewerken aan mijn film, maar met iedereen die dat wel wilde ben ik in gesprek gegaan.”

Uit deze gesprekken kwamen vaak dagelijkse routines naar voren die veelzeggend zijn voor de levens van de Rabotbewoners, zoals de ochtendlijke rolmomenten van Mark. Als ze op zo’n moment stuitte, vroeg Vandekerckhove of ze later terug mocht komen om het te filmen.

Rabot voelt gestileerder dan de gemiddelde documentaire, met veel statische beelden en oog voor details in plaats van ‘spontane’ camera-opnames uit de hand. Door het naast elkaar plaatsen van nauwkeurig gefilmde en gekozen snapshots, krijgt de treurigheid in Rabot iets esthetisch.

Toch voelt de film allerminst afstandelijk. We zien bewoners van uiteenlopende huidskleuren met uiteenlopende fysieke en mentale problemen op hun eigen vierkante meters vaak zeer gelijkaardige levens leiden: ze eten, kijken tv, strijken.

In de opeenvolgingen van schijnbaar willekeurige beelden zitten kleine tragedies verstopt – een oudere man eet eerst met en vervolgens zonder zijn echtgenote een avondmaal. De pijnlijke reden verneem je pas later in de film. Maar in de lappendeken van beelden worden ook grotere verhalen zichtbaar, bijvoorbeeld hoe er naast en niet met elkaar wordt geleefd in het gebouw.

Als ratten in de val

Als we in de lift stappen op weg naar de vijftiende verdieping, blijken de racistische verwensingen die Vandekerckhove filmde overschilderd, maar er zijn er talloze nieuwe verschenen, zoals ‘Hoeren dragen kopvodden’. „Ook bij het racisme worstelde ik erg met wat ik zou tonen en wat niet”, zegt Christina Vandekerckhove. „Die onverdraagzaamheid was een groot onderdeel van het leven ‘in den blok’, dus ik wilde dat ook in de film.”

We wandelen door een lange, lege gang naar het appartement van de 69-jarige Ronny. Hij opent in zwembroek. Hij heeft onlangs alle sloten uit de deuren in de gang gehaald, vertelt hij als we in zijn keukentje zitten, de stomp van zijn geamputeerde been ligt prominent op tafel. Dieven hebben eerder deurklinken gestolen, vertelt hij. „Als er brand uitbreekt zitten we anders als ratten in de val.” Op de vraag of er veel vooroordelen bestaan over de Rabottorens, antwoordt Ronny dat mensen überhaupt geen idee hebben hoe het leven er is. „Dit is de eerste keer dat het in beeld wordt gebracht.” Hij maakt een grapje met Vandekerckhove over dat er momenteel genoeg appartementen leegstaan waarin beleidsmakers even kunnen komen wonen.

Ronny noemt de blokken „een duivenkot”. Iedereen kan er zomaar binnenwandelen en de lift nemen, er zit geen zoemer of slot op de voordeur, wat zorgt voor veel ongenode bezoekers en een groot gevoel van onveiligheid bij de bewoners. „Ik snap wel dat junks hier in de verwarmde kelders komen slapen, maar de enige keren dat ik tijdens mijn research werd bedreigd, was dat door bezoekers van buitenaf zoals dealers”, voegt Vandekerckhove toe.

Comfortzone

De reputatie van de 60 meter hoge blokken wordt niet verbeterd door de aantrekkingskracht die ze uitoefenen op mensen met zelfmoordgedachten. Volgens Christina Vandekerckhove was het grote aantal mensen dat van het gebouw springt, een van de eerste dingen waar veel bewoners over begonnen tijdens haar research. Het was zo alledaags geworden in de Rabottorens dat sommigen zelfs in een enkele zin een zelfmoord en het weer bespraken. Vandekerckhove: „Dat het gebouw een soort van eindhalte is voor velen, vond ik heel symbolisch.”

Ondanks deze lugubere vaststelling waar haar documentaire mee opent, sluit Rabot vrij vrolijk af. In een beeldmontage die wat doet denken aan een klassieke mtv-muziekclip, zien we uiteenlopende bewoners in hun uitgeleefde appartementen dansen op melodieuze rock van Madensuyu. Vandekerckhove „Toen ik deze beelden maakte, wist ik nog niet dat ze aan het slot van de film zouden komen, maar ik vond het erg belangrijk om een moment in te voegen waarop iedereen even uit zijn comfortzone stapt.”

Het onderstreept ook de relevantie van Rabot, want voor veel kijkers zullen deze videoclipachtige slotbeelden opmerkelijk genoeg herkenbaarder voelen dan de rauwe realiteit die Vandekerckhove vooral in beeld brengt.

    • Sabeth Snijders