Opinie

    • Ellen Deckwitz

Kastanjes

De moeder van mijn beste vriend is ongeneeslijk ziek, een geliefd kinderloos stel kreeg te horen dat hun adoptie-aanvraag is afgewezen en de buren moesten hun hond laten inslapen. Omdat ik vet aardig ben maar vooral omdat ik dan niet bij mijn eigen stemming en 60-urige werkweek hoef stil te staan, rende ik de afgelopen dagen van hot naar her: leverde bloemen en kalmeringsmiddelen af, was een schouder van roestvrij staal. Vrijdagavond lag ik knock-out op de bank. De telefoon ging, mijn zus, waarom ik niet op haar appjes over The Voice Senior reageerde.

„Is het raar dat ik Angela Groothuizen zou doen?” vroeg ze bezorgd. En ik dacht: ik kan dit niet meer aan.

Meestal betekent zo’n besef voor mij een doorstart. Even gas terug, kan je over een paar dagen weer in zijn vijf, maar dit keer was ik doodop, mat, leeg. Ik had al weken genegeerd dat mijn smaakzin was weggevallen (in mijn geval een voorbode voor depressie), dat mijn kleren steeds wijder zaten. En nu was ik te uitgeput voor mooi weer.

Binnen een kwartier stonden mijn zus en neefjes op de stoep. De oudste kroop naast me op de bank. Het voordeel van een familie vol neerslachtigheid is dat ze je nooit moed in gaat praten. Die begrijpt dat alleen vasthouden en luisteren helpt. Mijn zus perste boerenkoolsap met illegaal veel vitaminesupplementen om mijn neurochemie een opkikker te geven. Ze belde mijn manager, leegde mijn agenda, ruimde mijn huis op, regelde een achterwacht.

‘Je bent zeker weer veel te meelevend geweest”, mopperde ze. Tja. Waar anderen bij somberte aan de drank gaan, ga ik mensen redden. Hoef ik lekker niet bij mezelf stil te staan.

„Je bent zo aardig dat je er nog eens dood aan gaat”, zei ze boos, terwijl ze mijn wasmachine volstouwde.

„Mag ik misschien zelf bepalen waar ik stuk aan ga?” mompelde ik, waarop mijn zus zei dat ik helemaal niet stuk mag gaan, wat ze vast wel goed bedoelde maar waardoor ik het laatste restje energie uit me voelde wegsijpelen. Want ik wilde niet meer heel zijn. Dan moest ik alles weer aankunnen: mijn overvolle agenda, de talloze deadlines, mijn sippe omgeving, deze gestoorde wereld. Het besef dat er nooit een einde komt aan al het gedoe en gezeur.

De volgende dag leek het even beter te gaan. Mijn jongste neefje kwam langs en bracht me zo’n poppetje gemaakt van satéprikkers en kastanjes. Zijn houten armpjes staken blij omhoog, zo van kom maar op met die knakworst.

„Hij ziet er zo opgewekt uit”, zei ik. Wat ik verzweeg was dat het mannetje slechts vrolijkheid nabootste. En dat hij bestond uit kastanjes die nooit een boom zouden worden.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz